2 Korinthe 3

Mozes’ glans vergaat, Christus’ glans blijft

Luisteren 1 uur 37 min Lezen ± 1 uur 18 min · Lezing 3 van 9

Schrijver / bijdrager
Tijdperiode van de inhoud
Mijn VVV

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/2-korinthe/3.pdf?v=f8d5c6b3e981. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/2-korinthe/3.

Samenvatting

Paulus stelt de voorbijgaande heerlijkheid van het oude verbond tegenover de blijvende heerlijkheid van het nieuwe verbond.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt hoe Paulus de veranderde levens van de Korinthiërs als zijn aanbevelingsbrief beschouwt: het werk van de Geest bevestigt zijn bediening, waarvan de bekwaamheid uit God komt. Hij legt uit dat de tegenstelling tussen letter en Geest over het oude en het nieuwe verbond gaat en geen afwijzing van het gezag van de Schrift inhoudt. Aan de hand van Mozes’ stralende gezicht en zijn sluier bespreekt hij de tijdelijke heerlijkheid van het oude verbond en de bedekking die wordt weggenomen wanneer iemand zich tot de Heere keert. Hij benadrukt dat de Geest gelovigen naar het beeld van Christus verandert wanneer zij met onbedekt gezicht Zijn heerlijkheid aanschouwen.

Paulus verdedigt zijn persoonlijke bediening

Illustratie bij: Paulus verdedigt zijn persoonlijke bediening.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we 2 Korinthe 3.

Zoals ik in onze vorige lessen al zei, is 2 Korinthe een heel persoonlijke brief. En omdat hij persoonlijk is, is hij aanzienlijk informeler dan veel van de brieven van Paulus. In de meeste brieven van Paulus zit enige ordening. Hij gaat van de ene gedachte over naar de volgende logische gedachte, en zo bouwt hij de brief op. Heel kenmerkend voor zijn brieven is dat we aan het begin een gedeelte hebben dat meer theologisch van aard is, en dat het laatste deel van het boek dan over de praktische toepassing gaat. Dat geldt voor Romeinen, Efeze en Kolossenzen. Die stijl gebruikt Paulus in Thessalonicenzen en zelfs in Galaten.

Maar zo is 2 Korinthe niet. Hij was duidelijk emotioneler toen hij 2 Korinthe schreef dan toen hij bijvoorbeeld Romeinen schreef. Hij heeft dingen die hij wil zeggen, maar hij verweeft op verschillende plaatsen dezelfde gedachten met elkaar, en hij volgt geen duidelijk herkenbare opzet. Als je het boek 2 Korinthe in grote lijnen bekijkt, zie je dat het in een aantal gedeelten kan worden verdeeld. Maar binnen die gedeelten is er niet noodzakelijk een samenhangende gedachtegang. Hij komt vaak op dingen terug. Er worden allerlei persoonlijke gebeurtenissen doorheen geweven waar Paulus naar terugverwijst.

Hij probeert vooral zichzelf te verdedigen zonder al te zeer in de verdediging te schieten. Daar komt het eigenlijk op neer. Soms voelt hij zich behoorlijk opgelaten als hij zichzelf verdedigt. In de latere hoofdstukken, waar hij heel sterk in de verdediging gaat, zegt hij:

2 Korinthe 11:21

Tot eigen oneer zeg ik: wij zijn zwak geweest. Maar waarin iemand ook durf toont — ik spreek in dwaasheid — daarin toon ook ik durf.

Hij onderbreekt zichzelf steeds weer met de woorden:

Ik praat als een dwaas, Daarmee bedoelt hij dat hij zich een dwaas voelt als hij zichzelf verdedigt. Het is zijn stijl niet. Normaal gesproken ligt het niet in zijn aard om zichzelf te verdedigen. Maar bij de Korinthiërs is hij er in veel gevallen toe gedwongen, om te voorkomen dat zijn hele bediening en het Evangelie dat hij predikte in diskrediet raken doordat niemand hem verdedigt. Paulus zegt later tegen de Korinthiërs dat zij hem hadden moeten verdedigen. Hij had zichzelf niet hoeven te verdedigen, maar omdat zij het niet deden, moest hij zelf het woord nemen.

Aanbevelingsbrieven en apostolisch gezag

Illustratie bij: Aanbevelingsbrieven en apostolisch gezag.

Nu heeft hij aan het einde van hoofdstuk 2 over zichzelf gesproken, en in hoofdstuk 3, vers 1, zegt hij:

2 Korinthe 3:1

Beginnen wij onszelf weer aan te bevelen? Of hebben wij, zoals sommigen, aanbevelingsbrieven voor u nodig, of aanbevelings brieven van u?

Die vraag suggereert duidelijk dat iemand hem ervan had beschuldigd zichzelf aan te bevelen. Of anders begint hij door de manier waarop hij spreekt zelf het gevoel te krijgen dat hij zich iets te veel verdedigt, zichzelf iets te veel aanbeveelt. Dus hij fluit zichzelf terug en zegt: ‘Het is niet zozeer dat ik mezelf moet verdedigen of mezelf moet aanbevelen. Ik hoef mezelf beslist niet aan te bevelen zoals anderen dat doen.’ Zeker niet onder de Korinthiërs, want zij waren zijn eigen bekeerlingen.

Hij zegt:

Hebben we, zoals sommige anderen, aanbevelingsbrieven voor jullie nodig of aanbevelingsbrieven van jullie?

Blijkbaar waren er mensen die, wanneer ze naar Korinthe kwamen, zich beriepen op aanbevelingsbrieven van andere gemeenten, mogelijk de gemeente in Jeruzalem. Hun aanspraak op gezag was dat iemand in Jeruzalem hen aanbeval. En wanneer ze Korinthe verlieten, wilden ze dat de gemeente in Korinthe aanbevelingsbrieven voor hen schreef. Die brieven uit Korinthe konden dan worden gebruikt om deze mensen een positie te geven op hun nieuwe plek in een andere stad.

Ik heb in een vorige les al gezegd dat Paulus op zich niet tegen aanbevelingsbrieven is. In Romeinen 16:1 begint Paulus een vrouw aan te bevelen die de gemeente in Korinthe verliet en naar de gemeente in Rome ging. Hij stuurt een paar zinnen mee als aanbevelingsbrief voor haar. Haar naam is Febe. We weten ook dat Apollos, toen hij naar Efeze kwam en Priscilla en Aquila ontmoette, een aanbevelingsbrief van hen kreeg voordat hij verder reisde naar Korinthe. In Handelingen hoofdstuk 18 staat dat Priscilla en Aquila en de gemeente daar brieven meegaven aan Apollos voor de gemeente in Korinthe, waarin ze hem bij hen aanbevalen. Dit waren medewerkers van Paulus.

Er is beslist niets immoreels of onethisch aan het gebruik van aanbevelingsbrieven, en ook niets wat Paulus uit zichzelf zou afkeuren. Het was eenvoudigweg niet de gewoonte van Paulus om ze zelf bij zich te dragen. Hij had ze niet nodig. De wonderen in zijn bediening, de bekeerlingen, de vrucht van zijn leven waren voldoende aanbeveling.

Dus vraagt hij retorisch:

Hebben we, zoals sommige anderen, aanbevelingsbrieven voor jullie nodig of aanbevelingsbrieven van jullie?

Hij zegt:

Veranderde levens als aanbevelingsbrief

Illustratie bij: Veranderde levens als aanbevelingsbrief.
2 Korinthe 3:2-3

2U bent onze brief, geschreven in onze harten, gekend en gelezen door alle mensen. 3Het is immers openbaar geworden dat u een brief van Christus bent, door onze bediening opgesteld, geschreven niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet op stenen tafelen, maar op tafelen van vlees, van de harten.

Nu zegt hij daarmee: ‘Ik hoef geen brieven bij me te dragen die met inkt geschreven zijn, want ik heb aanbevelingsbrieven door de Geest. De Heilige Geest staat voor mij in. Hij is Degene Die bevestigt wat ik te zeggen heb. Ik zeg dingen en de Heilige Geest bevestigt dat door de tekenen die erop volgen en door bekering en veranderde levens tot stand te brengen.’

De veranderde levens en het werk van de Heilige Geest door mijn bediening, zegt hij, zijn mijn aanbeveling. En die spreken veel luider en onfeilbaarder dan welke brieven met pen en inkt ook maar zouden kunnen doen. Hij zegt dat jullie zelf deel uitmaken van die brief. Mijn werk over de hele wereld en het werk van de Geest door mijn bediening zijn mijn aanbevelingsbrief, zegt hij. En jullie behoren tot degenen op wie ik een beroep zou doen als bewijs van wie ik ben en waartoe ik geroepen ben, en van Gods goedkeuring van mijn werk, zodat ik niet afhankelijk hoef te zijn van aanbevelingen van mensen.

Ik weet niet hoe gemakkelijk het voor Paulus zou zijn geweest om aanbevelingsbrieven van mensen te krijgen, behalve natuurlijk van mensen uit zijn eigen gemeenten die hij had gesticht. Maar aanbevelingsbrieven die door je eigen bekeerlingen zijn geschreven, zouden misschien niet als zo gezaghebbend worden beschouwd als je ergens anders kwam waar je een vreemdeling was.

Wat de gemeente in Jeruzalem betreft, was er in beginsel goedkeuring voor de bediening van Paulus, misschien een schoorvoetende goedkeuring. We weten uit Galaten hoofdstuk 2 dat Paulus tijdens een van zijn vroege bezoeken aan Jeruzalem, toen hij de apostelen ontmoette, van hen de rechterhand van gemeenschap ontving. Ze erkenden dat hij een apostel voor de heidenen was, net zoals Petrus en de anderen apostelen voor de Joden waren. De rechterhand van gemeenschap was een teken en een blijk van samenwerking en erkenning.

In zekere zin krijgt Paulus van Petrus een aanbevelingsbrief in 2 Petrus hoofdstuk 3, maar die is waarschijnlijk geschreven nadat Paulus was gestorven. Het was dus niet zozeer dat Paulus zo'n brief nodig had om toegang te krijgen tot een nieuw gebied. Paulus verrichtte gewoonlijk niet veel bedieningswerk in gemeenten die hij niet zelf had gesticht. Stel dat hij een aanbevelingsbrief van bijvoorbeeld Petrus zou meenemen, als hij er een kon krijgen, naar een nieuw gebied waar het Evangelie nog niet was verkondigd. Aan wie zou hij die brief dan laten zien? Wie zou dat iets kunnen schelen? Er zijn daar geen christenen die het gezag van Petrus zouden erkennen.

Paulus ging naar onontgonnen terrein, een onaangeroerd gebied waar het Evangelie nog helemaal niet was verkondigd. Dat was zijn beleid. Hij zei aan het einde van Romeinen, in hoofdstuk 15, dat zijn beleid was geweest om te gaan:

Romeinen 15:20

Niet waar Christus al verkondigd is, maar waar Christus nog niet verkondigd is.

Daarom heeft hij zulke brieven niet nodig. Zodra hij in een stad is geweest, heeft hij daar zijn stempel op gedrukt, en dat is zijn brief. Als hij er terugkomt, heeft hij geen brief van ergens anders nodig die deze mensen vertelt wie hij is. Hij is daar geweest, heeft daar zijn werk gedaan, en zij zijn het bewijs van wie hij is.

Hij is dus niet, zoals sommige anderen, afhankelijk van aanbevelingsbrieven. Het is mogelijk dat zijn critici in Korinthe dat wel waren. Het is mogelijk dat ze waren binnengekomen met brieven uit bijvoorbeeld Jeruzalem of uit een Joodse gemeente die misschien hun judaïserende neigingen tolereerde. En Paulus was het daar natuurlijk helemaal niet mee eens.

Gods wet op het hart in plaats van op steen

Illustratie bij: Gods wet op het hart in plaats van op steen.

Hij maakt hier een merkwaardige omslag in zijn gedachtegang. Hij gaat uit van het idee van een aanbevelingsbrief, dat wil zeggen een brief die met inkt is geschreven, en stelt die tegenover brieven die door de Heilige Geest op de harten van mensen zijn geschreven. Vervolgens verschuift hij naar een tegenstelling tussen letters die op het hart zijn geschreven en letters die in steen zijn geschreven.

Wat hem hier op dat andere spoor brengt, is het volgende. Hij spreekt over alle aanbevelingsbrieven die hij nodig heeft als de brieven die door de Heilige Geest op de harten van zijn bekeerlingen zijn geschreven. Die opmerking doet hem ongetwijfeld denken aan Jeremia hoofdstuk 31, waar staat dat God in het nieuwe verbond:

Jeremia 31:33

Zijn wetten en Zijn woorden op hun hart zou schrijven.

Dat staat natuurlijk tegenover het oude verbond, dat op steen was geschreven.

Hij heeft verwezen naar de Heilige Geest Die op de harten van deze bekeerlingen schrijft. En dat heeft bij Paulus naar alle waarschijnlijkheid dit beeld opgeroepen van de wet die op de harten is geschreven. Nu begint hij een tegenstelling te maken tussen wat er in hun harten is gebeurd doordat zij deelhebben aan het nieuwe verbond, en wat het oude verbond leerde en in welk opzicht het gebrekkig was.

Het feit dat Paulus hier op deze manier op ingaat, wijst er sterk op dat zijn tegenstanders judaïsten waren. Hij besteedt namelijk bijna de rest van dit hoofdstuk aan de tegenstelling tussen de heerlijkheid van het nieuwe verbond en de heerlijkheid van het oude verbond. Het is het soort betoog dat je zou verwachten in het boek Hebreeën. Daar probeert de schrijver Joodse christenen ervan te overtuigen niet terug te gaan naar het jodendom, omdat het christendom zoveel boven het jodendom staat.

Dat is in wezen hoe de rest van Paulus' betoog verloopt. Hij heeft een geschikt aanknopingspunt gevonden om van onderwerp te veranderen: van aanbevelingsbrieven naar brieven die op het hart zijn geschreven. En die brieven op het hart brengen hem bij het begrip uit Jeremia 31, waar Gods verbond, het nieuwe verbond, op het hart wordt geschreven, terwijl het oude verbond slechts op stenen tafelen was geschreven.

Hier in vers 3 maakt hij de overgang van de ene gedachte naar de andere. Hij zegt:

Het is duidelijk dat jullie een brief van Christus zijn, door ons werk tot stand gekomen, geschreven met de Geest van de levende God in plaats van met inkt.

Dat is min of meer de afronding van zijn gedachte in de verzen 1 en 2. Nu voegt hij, voordat de zin afgelopen is, iets toe dat hem in die andere richting brengt:

Niet op stenen platen, maar op platen van vlees, dat wil zeggen, van het hart.

Een nieuw hart door de Geest

Illustratie bij: Een nieuw hart door de Geest.

Met de woorden ‘niet op stenen tafelen, maar op tafelen van vlees’ bedoelt hij het hart. Deze bewoordingen sluiten niet alleen aan bij Jeremia 31, maar bevatten volgens mij ook een bewuste weerklank van de passage in Ezechiël die parallel loopt aan die passage in Jeremia. Ik zeg alleen dat ze parallel lopen omdat ze over hetzelfde onderwerp gaan. Ze lopen niet parallel in de zin waarin bijvoorbeeld passages in de Evangeliën parallel lopen. Maar in Ezechiël hoofdstuk 36, vers 25 tot en met 26, Ezechiël 36:25 en 26, zegt God:

Ezechiël 36:25-26

25Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen. 26Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.

Deze beeldspraak verschilt van die in Jeremia 31, maar doet eigenlijk dezelfde soort voorspelling als Jeremia 31: dat God Zijn wetten op het hart zal leggen. Hier is de beeldspraak anders. Hij gaat eenvoudigweg het oude hart eruit halen en er een nieuw hart in zetten. Het resultaat is hetzelfde. God kan het oude hart omvormen en met nieuwe gegevens herprogrammeren. Hij schrijft Zijn wetten dan op het hart, in plaats van de zondige patronen die er eerder op stonden. Hij kan ook het oude hart eruit halen en er een nieuw hart in zetten. Het resultaat is hetzelfde. Je hebt een nieuw hart.

Dat nieuwe hart heeft een andere gezindheid dan het oude hart had. Daarom is wedergeboorte nodig, omdat het oude hart geneigd is tot zelfzucht en hoogmoed en zonde en opstandigheid, eigenzinnigheid, en het nieuwe hart een andere gezindheid heeft. Het is niet hard tegenover God, zoals een stenen hart. Het is zacht tegenover God, zoals een hart van vlees. Zachtheid tegenover God betekent dat je geneigd bent je aan God te onderwerpen. Gods wetten zijn op het hart geschreven in de zin dat dát is wat uit het hart voortkomt.

Wat in een boek geschreven staat, is wat uit het boek naar voren komt wanneer je het leest. Wat in software geschreven staat, is wat uit de computer komt wanneer je die software uitvoert. Wat in het hart geschreven staat, is wat uit het hart voortkomt wanneer het hart doet wat het doet. We hebben het natuurlijk over het geestelijke hart. We hebben het hier niet over het lichamelijke hart. We hebben het over het hart in overdrachtelijke zin. Het hart is daar datgene waaruit alles wat het leven bepaalt voortkomt. Volgens Spreuken:

Spreuken 4:23

Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is, want daaruit zijn de uitingen van het leven.

Spreuken 4:23.

Dat je hart veranderd wordt, betekent dat wat uit je voortkomt verandert, want Jezus Zelf zei ook:

Mattheüs 15:19

Want uit het hart komen voort kwaadaardige overwegingen, alle moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen, lasteringen.

Vervolgens somt Hij een heleboel slechte dingen op die uit een slecht hart voortkomen: godslasteringen en overspel en afgoderij en andere dingen van dat soort. Wat uit het hart voortkomt, is wat in het leven zichtbaar wordt. Wat Paulus zegt, is dat hun leven anders is omdat hun hart anders is gemaakt. Dat er in hun hart een nieuwe code, nieuwe gegevens, een nieuwe gerichtheid gegrift zijn, is het werk van de Geest van God, door tussenkomst van Paulus. Daarom schrijft hij het in zekere mate aan zichzelf toe: het vormt het bewijs van de echtheid van zijn bediening. Maar hij heeft het niet gedaan; het is de Heilige Geest Die het heeft gedaan.

God maakt bekwaam voor de bediening

Illustratie bij: God maakt bekwaam voor de bediening.

Dat laat hij in de volgende paar verzen uitkomen, want hij zegt in 2 Korinthe 3:4:

2 Korinthe 3:4-6

4Zo'n vertrouwen nu hebben wij door Christus op God. 5Niet omdat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als was het uit onszelf, maar onze bekwaamheid is uit God. 6Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om dienaars van het nieuwe verbond te zijn , niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

De reden waarom Paulus dit zegt, is dat hij zojuist heeft verwezen naar het werk van de Heilige Geest in het leven van de gelovigen in Korinthe als bewijs van zijn bevoegdheid. In zekere zin schrijft hij daarmee eigenlijk een deel van de verdienste aan zichzelf toe. Of zo kan het in elk geval lijken, omdat hij zegt: ‘Nou, dit zijn mijn aanbevelingsbrieven.’ Je aanbevelingsbrieven bestaan in wezen uit datgene waarvoor je jezelf de verdienste toeschrijft. Hij zegt: ‘Dit zijn mijn aanbevelingsbrieven. Mijn aanbevelingsbrief is wat er in jullie hart tot stand is gebracht.’

Hij erkent, zelfs al vóór deze verzen, dat dit door de Geest van God gedaan is, niet door een mens. Toch wijst hij op dit werk van de Geest als bewijs van de echtheid van zijn eigen bediening. Dat kan bij mensen de indruk wekken dat hij probeert zichzelf de verdienste toe te schrijven van wat het werk van God is. Daarom probeert hij duidelijk te maken dat hij dat niet voor ogen heeft. Uit onszelf zijn we niet bekwaam om iets te doen. Deze bediening die wij hebben, is een bediening die het resultaat is van het feit dat God ons bekwaam maakt. Het is God Die in ons werkt en het tot stand brengt. Het is het werk van de Heilige Geest, maar het blijft niettemin zo dat Hij het door ons heen heeft gedaan. Uit onszelf zijn we niet bekwaam om zulke veranderingen in mensen tot stand te brengen.

Dat is iets wat we moeten beseffen, wij allemaal die hopen levens te veranderen, of dat nu door evangelisatie is of door mensen tot discipelen te maken. Je zult erg gefrustreerd raken als je voltijds in de bediening gaat en denkt dat je mensen zult veranderen door ze eenvoudig te vertellen wat ze moeten weten. Of dat je ze zult veranderen door ze een goed programma te laten volgen, of dat je ze met enig ander menselijk middel zult veranderen. De beste prediking ter wereld verandert op zichzelf geen mensen. Paulus was misschien een geweldige prediker, maar hij besefte dat zijn prediking op zichzelf geen wonderen kon doen in het leven van mensen. Daarvoor moet de Heilige Geest met de prediker samenwerken. Hij moet de prediking zalven. Hij moet er een geestelijke kracht aan geven die er niet door louter persoonlijk overwicht in kan worden gebracht. Er zijn veel predikers die met hun welsprekendheid emoties kunnen bespelen. Er zijn veel predikers die weten hoe ze dingen op een dramatische manier kunnen presenteren, zodat het publiek er enthousiast van wordt. Maar niets daarvan is hetzelfde als de zalving van de Heilige Geest hebben. Of Hij het publiek nu enthousiast maakt of niet, Hij verandert het publiek. De woorden van een gezalfde prediker hebben uitwerking en veranderen de manier waarop iemand leeft voorgoed, of in elk geval voor lange tijd.

De verandering van de Korinthiërs

Illustratie bij: De verandering van de Korinthiërs.

Paulus schreef het succes dat hij had bij het veranderen van het leven van deze mensen niet aan zichzelf toe. Je zou kunnen zeggen: ‘Maar hij had toch problemen met deze mensen? Waar valt dan over te roemen? Het leven van deze mensen is misschien helemaal niet zo sterk veranderd, toch? Waar valt hier over te roemen? De gemeente in Korinthe zat toch vol problemen?’ Ze zat vol problemen, maar ze had niet zoveel problemen als ze zou hebben gehad als ze niet tot bekering waren gekomen.

Laat me je eraan herinneren wat voor mensen de Korinthiërs waren voordat ze tot bekering kwamen, in 1 Korinthe hoofdstuk 6. Vanaf vers 9 zei Paulus:

1 Korinthe 6:9-11

9Of weet u niet dat onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet zullen beërven? 10Dwaal niet! Ontuchtplegers, afgodendienaars, overspelers, schandknapen, mannen die met mannen slapen, dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars en rovers zullen het Koninkrijk van God niet beërven. 11Sommigen van u zijn dat wel geweest, maar u bent schoongewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God.

Sommigen van deze mensen vielen onder al deze categorieën: hoereerders, afgodendienaars, overspelers, homoseksuelen, sodomieten, dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars, afpersers. Dit was het soort mensen waaruit de gemeente in Korinthe bestond. Paulus bleef problemen met deze mensen houden. Hun onvolwassenheid en hun vleselijkheid moesten vaak worden aangepakt, maar ze waren geen sodomieten meer. Ze waren geen dieven meer. Ze waren geen dronkaards meer. Ze hadden diep vastgezeten in deze zondige gedragingen, die de kracht van een mens alleen niet kan veranderen. Maar door de kracht van God waren ze gereinigd en geheiligd.

Paulus erkent dat dit eigenlijk niet zijn werk is. Hij zegt:

We zijn uit onszelf niet in staat om iets te bedenken alsof het van onszelf komt, maar God geeft ons wat we nodig hebben en heeft ons bekwaam gemaakt om het nieuwe verbond te dienen.

Misbruik van ‘de letter doodt’

Illustratie bij: Misbruik van de woorden de letter doodt.

Wanneer hij in vers 6 zegt:

om het nieuwe verbond te dienen dan gaat hij nader in op dat nieuwe verbond tegenover het oude verbond, met deze woorden:

Niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest geeft leven.

Ik vind het jammer dat veel mensen tegenwoordig, vooral mensen uit charismatische kringen of uit de pinksterbeweging, dit vers hebben aangehaald zonder de betekenis ervan te begrijpen. Want ze halen het heel vaak tot hun eigen nadeel aan. Er zijn mensen die zo charismatisch zijn dat, als je hun vanuit de Schrift laat zien dat wat ze doen verkeerd is, ze een vers als dit aanhalen en zeggen: ‘Nou, dat is de letter. De Schrift, dat is de letter. Wij houden ons alleen bezig met datgene waartoe de Geest ons leidt.’

2 Korinthe 3:4-6

4Zo'n vertrouwen nu hebben wij door Christus op God. 5Niet omdat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als was het uit onszelf, maar onze bekwaamheid is uit God. 6Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om dienaars van het nieuwe verbond te zijn , niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

Dat is beter.

In veel gevallen zijn mensen met een bepaalde manier van denken ongevoelig voor correctie, en ze zijn niet zeldzaam. Als je ze nog niet bent tegengekomen, laat je daarmee eenvoudig zien dat je nog niet veel in charismatische kringen hebt verkeerd. Je hoeft niet ver te zoeken om ze te vinden. Ze zijn er. Ze minachten het gezag van de Bijbel en zijn gefascineerd door ieder vermeend woord van de Geest. Het kan een valse profetie zijn; dat maakt hun helemaal niets uit. Alles wat geestelijk is spreekt hen aan, of alles wat geestelijk lijkt te zijn.

Volgens hen kun je profetie niet aan de Bijbel toetsen, omdat profetie het werk van de Geest is en de Bijbel de letter is. En de letter is een dode letter, en de letter doodt, en je kunt eenvoudig geen volgeling van de letter zijn, tenzij je geestelijk dood wilt zijn. Je moet verdergaan, je gebondenheid aan het gezag van de Bijbel achter je laten en verdergaan naar de dingen, de nieuwe dingen die de Geest zegt en doet. Zo denken veel mensen werkelijk. Ze denken dat Paulus er zo over dacht, omdat hij zei:

We dienen het nieuwe verbond, niet de letter, maar de Geest; want de letter doodt, maar de Geest geeft leven.

Laten we ons eerst eens afvragen of de betekenis die veel mensen hierin lezen, ook de betekenis kan zijn geweest die Paulus bedoelde. Zei Paulus dat hij er niet in geïnteresseerd was de Schriften te onderwijzen of het gezag van de Schriften te handhaven? Toen hij zei:

‘We dienen het nieuwe verbond, we dienen niet de letter maar de Geest’, zei hij daarmee dan dat hij de Schrift niet onderwijst? Dat hij niet tot gehoorzaamheid aan de Schrift oproept en de Schrift niet op alle punten als het uiteindelijke gezag gebruikt?

Paulus handhaaft het gezag van de Schrift

Illustratie bij: Paulus handhaaft het gezag van de Schrift.

Dat kan hij niet bedoelen, tenzij hij zelf niet goed had opgelet bij zijn eigen bediening. Want Paulus citeerde voortdurend de Schrift en gebruikte die als de basis voor zijn aanwijzingen. Zijn brieven zijn in veel gevallen eenvoudigweg uitwerkingen en uiteenzettingen van wat de Schrift zei. En daar wijst hij op door af en toe te zeggen:

‘Zoals er geschreven staat.’ Vervolgens citeert hij een Schriftgedeelte waaruit blijkt dat wat hij zegt helemaal overeenkomt met wat de Bijbel zegt. Met andere woorden, wat hij zegt is slechts een toepassing of een uiteenzetting van een Bijbelse waarheid uit het Oude Testament. Trouwens, Jezus deed dat ook, en terecht, want zowel Jezus als Paulus en de andere apostelen geloofden dat de Schriften het Woord van God waren en gezag hadden. Toch deden Jezus en Paulus natuurlijk ook wonderen, onder een geweldige geestelijke zalving.

Er zijn verschillende manieren om te begrijpen wat Paulus hier zegt. Veel mensen geloven, en ze kunnen gelijk hebben, dat hij met de woorden:

2 Korinthe 3:4-6

4Zo'n vertrouwen nu hebben wij door Christus op God. 5Niet omdat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als was het uit onszelf, maar onze bekwaamheid is uit God. 6Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om dienaars van het nieuwe verbond te zijn , niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

een tegenstelling aangeeft tussen het oude verbond en het nieuwe. Het oude verbond is een verbond van alleen de letter. Het is alleen maar opgeschreven, maar binnen het oude verbond wordt de Heilige Geest niet gegeven om mensen in staat te stellen uit te voeren wat er geschreven staat. Paulus ziet het als het verbond van de letter, het geschreven verbond, het verbond dat uitwendig werd opgeschreven. Het nieuwe verbond daarentegen wordt inwendig door de Geest geschreven. De Geest van God stelt ons in het nieuwe verbond in staat een leven te leiden dat God behaagt, op een manier waartoe een geschreven letter ons nooit in staat heeft gesteld.

Met de woorden ‘Niet van de letter, maar van de Geest’ probeert hij niet te zeggen dat letters slecht zijn. De letter is eenvoudigweg zijn manier om te spreken over het verbond dat alleen maar opgeschreven was, het oude verbond, tegenover het nieuwe verbond, dat het verbond van de Geest is.

De letter en de Geest als twee verbonden

Illustratie bij: De letter en de Geest als twee verbonden.

Paulus gebruikt vergelijkbare bewoordingen in Romeinen. Ik probeer me te herinneren waar dat stond. Ik dacht dat het Romeinen 7 was. Ik keek even of er in mijn kantlijn een tekstverwijzing stond. Er staat volgens mij geen verwijzing naar Romeinen 7, maar ik geloof dat het daar toch staat. Inderdaad. Romeinen 7, vers 6 zegt namelijk:

Romeinen 7:6

Maar nu zijn wij ontslagen van de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten, zodat wij in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter.

Let erop dat we onder de wet waren, maar nu niet meer. We dienen niet langer in de oudheid van de letter, dat wil zeggen, het oude verbond, het verbond van de letter. Maar we dienen in de nieuwheid van het nieuwe verbond, de Geest. Er is de nieuwheid van de Geest, de oudheid van de letter. De letter verwijst naar het oude verbond; de Geest verwijst naar het nieuwe verbond.

Dit betekent niet dat er geen letters en geen geschriften zijn die betrekking hebben op het nieuwe verbond. Als die er niet waren, zouden we deze brief niet bestuderen. Want de brief die we bestuderen, 2 Korinthe, is een brief, en het is een brief van het nieuwe verbond.

De woorden van Paulus ‘Niet van de letter, maar van de Geest’ kun je op twee mogelijk juiste manieren uitleggen. De ene is dat de letter zijn verkorte aanduiding is voor het oude verbond, dat alleen maar een op schrift gestelde verzameling wetten was, tegenover de Geest, die zijn verkorte aanduiding is voor het nieuwe verbond, dat geen op schrift gestelde verzameling wetten is. Of hij gebruikt het misschien in de betekenis die we vaak in de Schrift hebben opgemerkt, van wat we een beperkte ontkenning noemen. Dan staat er ‘niet dit, maar dat’, maar betekent het letterlijk ‘niet alleen dit, maar ook dat’: dat we niet alleen in de letter dienen, maar ook in de Geest. Dat is ook een mogelijke betekenis. De letter op zichzelf is dood, maar de letter met de Geest is levend en levengevend.

De Schrift volgen is de Geest volgen

Illustratie bij: De Schrift volgen is de Geest volgen.

Paulus zegt beslist niet dat hij niets heeft aan de letter of aan geschreven gezag. Paulus zou dat niet over het Oude Testament zeggen. Hij zou dat zeker niet over zijn eigen brieven zeggen. Zijn eigen brieven droegen gezag. Wanneer hij aan diezelfde Korinthiërs schrijft, in 1 Korinthe hoofdstuk 14, zegt hij in vers 37 namelijk:

1 Korinthe 14:37

Als iemand denkt dat hij een profeet is of een geestelijk mens , laat hij dan erkennen dat wat ik u schrijf geboden van de Heere zijn.

Iemand zegt: ‘Nou, ik ben alleen geïnteresseerd in de Geest, niet in de letter.’ Paulus zei:

‘De dingen die ik jullie schrijf’ — dat zijn de brieven die hij schreef — ‘zijn de geboden van de Heere.’

En als iemand denkt dat hij geestelijk is, kan hij dat maar beter erkennen. Paulus zegt dat iedereen die dat niet erkent, geen profeet is en ook niet geestelijk is. Dat is 1 Korinthe 14, vers 37.

Het zou absurd zijn om Paulus’ uitspraak over de letter en de Geest op te vatten zoals sommige charismatici dat graag doen. Dat is eenvoudigweg hun manier om te zeggen: ‘Ik doe graag waar ik zelf zin in heb. Ik zal zeggen dat de Heilige Geest mij daartoe leidt. En ik laat me niet zo graag beperken door de voorschriften van Bijbelse richtlijnen, want dat is alleen maar de doodsheid van de letter.’

Mensen die daarin terechtkomen — en dat zijn er heel, heel, heel veel geweest — worden uiteindelijk vaak de oprichters van sekten. Zodra je besluit dat het om de Geest gaat en niet om wat er geschreven staat, zit je ernstig in de problemen. Wie heeft volgens jou de geschriften geïnspireerd waar we het over hebben? Dat was de Geest. Daarom zijn ze niet minder geestelijk dan wat de Geest subjectief of persoonlijk tegen je zou kunnen zeggen.

De geschriften zijn wat de Geest tegen de profeten zei, wat de Geest tegen Mozes zei, wat de Geest tegen David zei, wat de Geest tegen de apostelen zei, en wat door de inspiratie van de Geest op schrift is gesteld. Dat volgen is niet minder geestelijk dan de vage aandrang volgen die je in je hart voelt en waarvan je denkt dat die van de Heilige Geest komt. Je wordt net zo werkelijk door de Geest geleid wanneer je door de Schrift wordt geleid als wanneer je door een droom of een visioen of een profetie wordt geleid. Want de Schrift is profetisch. De Schrift is visioen. De Schrift is geïnspireerd.

Ik probeer niet te zeggen dat we, nu we de Schrift hebben, geen visioenen en dromen en profetieën meer nodig hebben. Sommige mensen gaan zo ver. Ik niet. Ik denk dat beide waardevol zijn. Maar ik geloof dat je niet op de Schriften moet neerkijken. Sommige mensen kijken erop neer omdat de beperkingen die de Schriften aan hun leven en hun overtuigingen opleggen hun niet bevallen. Ze zeggen: ‘Nou, ik volg gewoon de Geest. Val me niet lastig met dat gedoe over de letter.’ Ze halen Paulus graag aan alsof hij dat bedoelde, en dat bedoelde hij beslist niet.

Dood en veroordeling tegenover leven

Illustratie bij: De bediening van de Geest geeft leven.

Het is vrij duidelijk dat hij, toen hij zei:

2 Korinthe 3:4-6

4Zo'n vertrouwen nu hebben wij door Christus op God. 5Niet omdat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als was het uit onszelf, maar onze bekwaamheid is uit God. 6Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om dienaars van het nieuwe verbond te zijn , niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

dat bedoelde als een verkorte manier om te zeggen: ‘Niet het oude verbond, maar het nieuwe verbond.’ Dat wordt op allerlei manieren verduidelijkt. Allereerst zegt hij:

De letter doodt maar de Geest geeft leven.

Hij bedoelt dat het oude verbond tot veroordeling en dood leidt. Het oude verbond stelt eisen aan mensen zonder hun de geestelijke middelen te geven om te doen wat er wordt gevraagd. Daarom is het uiteindelijke resultaat veroordeling en dood. Dat is het uiteindelijke resultaat van leven onder de wet.

Maar als je leeft onder de heerschappij van de Geest en onder de genade, is de Geest een levengevende, werkzame Persoon van de Godheid. Wanneer de Geest komt, geeft Hij leven. Verderop in dit hoofdstuk zegt hij dat Hij ook vrijheid zal geven. In vers 17 staat:

2 Korinthe 3:17

De Heere nu is de Geest; en waar de Geest van de Heere is, daar is vrijheid.

Dus de Geest geeft leven, en de Geest geeft vrijheid. Waarvan? Leven uit de geestelijke dood van de veroordeling en vrijheid van de slavernij van de wet.

In de rest van dit hoofdstuk zal Paulus een tegenstelling uitwerken tussen het oude verbond en het nieuwe verbond, net zoals hij doet in de laatste regel van vers 6:

De letter doodt, maar de Geest geeft leven.

Dat is een tegenstelling tussen het oude verbond en het nieuwe verbond. Het is geen tegenstelling tussen de Bijbel en mystieke openbaring. Hij heeft het over die twee stelsels.

In de rest van de bespreking duidt hij het oude verbond aan met uitdrukkingen als deze. In vers 7 noemt hij het:

2 Korinthe 3:7

Als nu de bediening van de dood, met letters in stenen gegrift, in heerlijkheid was, zodat de Israëlieten hun ogen niet op het gezicht van Mozes gericht konden houden vanwege de heerlijkheid van zijn gezicht, hoewel die tenietgedaan zou worden,

In vers 9 noemt hij het:

2 Korinthe 3:9

Want als de bediening van de verdoemenis al heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid.

In vers 11 noemt hij het:

2 Korinthe 3:11

Want als wat tenietgedaan wordt in heerlijkheid was, veel meer is wat blijft in heerlijkheid.

Maar over het nieuwe verbond spreekt hij in vers 8 als:

2 Korinthe 3:8

hoeveel te meer zal dan de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn?

In vers 9 als:

‘het werk dat mensen rechtvaardig maakt’.

En in vers 11 als:

‘wat blijft’.

Dus het oude verbond is de bediening van de dood, terwijl het nieuwe verbond de bediening van de Geest is. Dat is duidelijk, en dat helpt om vers 6 te verklaren, waar hij zei:

2 Korinthe 3:4-6

4Zo'n vertrouwen nu hebben wij door Christus op God. 5Niet omdat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als was het uit onszelf, maar onze bekwaamheid is uit God. 6Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om dienaars van het nieuwe verbond te zijn , niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

Wat is de letter? Het oude verbond. Het is de bediening van de dood. Maar in het nieuwe verbond geeft de Geest leven. Dat is de bediening van de Geest in vers 8.

We zien hier dus dat dit een tegenstelling is tussen twee godsdienstige verbondsstelsels. Het is geen tegenstelling tussen enerzijds volgen wat er in de Bijbel geschreven staat en anderzijds de vage en onduidelijke aandrang volgen van wat wij als de Geest in ons leven beschouwen, alsof het ene beter is dan het andere. Als dat zo is, zou mijn stem naar de andere kant gaan.

Maar vers 9 zegt:

2 Korinthe 3:9

Want als de bediening van de verdoemenis al heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid.

Dat is het oude verbond. Vervolgens staat er:

‘Het werk dat mensen rechtvaardig maakt.’ Dat is het nieuwe verbond. In vers 11:

2 Korinthe 3:11

Want als wat tenietgedaan wordt in heerlijkheid was, veel meer is wat blijft in heerlijkheid.

Het oude verbond gaat voorbij; het nieuwe verbond blijft.

Heerlijkheid als eer en als straling

Illustratie bij: Heerlijkheid als straling bij de verheerlijking.

Laten we dit gedeelte bekijken, vers 7 en verder. Om zijn tegenstelling tussen het oude en het nieuwe verbond uit te werken, wil hij over heerlijkheid spreken. Deze passage gaat helemaal over heerlijkheid. Heerlijkheid is een woord dat we allemaal kennen, maar de meesten van ons weten niet wat het betekent. Of misschien kennen we een deel van de betekenis, want heerlijkheid betekent meer dan één ding.

Ik stel me voor dat als ik je zou vragen om me een definitie van heerlijkheid te geven, je waarschijnlijk een definitie zou kunnen geven die waarschijnlijk niet onjuist zou zijn, maar misschien niet volledig. Afhankelijk van de betekenis waarin je aan het woord heerlijkheid denkt, denk je misschien aan zoiets als eer, erkenning of roem. Als iemand alle eer naar zich toe trekt, als iemand alle heerlijkheid voor zichzelf wil, betekent dat dat hij de erkenning wil, alle felicitaties, alle eer voor wat er gedaan is. Hij wil geëerd worden. Heerlijkheid betekent dat inderdaad. Dat is een betekenis van heerlijkheid.

Een ander gebruik van het woord heerlijkheid in de Schrift is eenvoudigweg in de betekenis van straling of glans. Paulus zegt in 1 Korinthe hoofdstuk 15:

1 Korinthe 15:41

De glans van de zon is verschillend, en de glans van de maan is verschillend, en de glans van de sterren is verschillend, want de ene ster verschilt in glans van de andere ster.

Dat heeft met straling te maken. De heerlijkheid die op het gezicht van Mozes scheen, was eenvoudig een gloed, een straling die van zijn gezicht uitging. Dat is een betekenis waarin het woord heerlijkheid in de Schrift wordt gebruikt. Zoals de heerlijkheid van een helder licht eenvoudig de straling ervan is. Die betekenis wordt zelfs gebruikt voor de heerlijkheid van God in Christus in Hebreeën hoofdstuk 1. In vers 3 staat er over Christus:

Hebreeën 1:3

Hij , Die de afstraling van Gods heerlijkheid is en de afdruk van Zijn zelfstandigheid, Die alle dingen draagt door Zijn krachtig woord, heeft, nadat Hij de reiniging van onze zonden door Zichzelf tot stand had gebracht, Zich gezet aan de rechter hand van de Majesteit in de hoogste hemelen .

Jezus is de afstraling van Gods heerlijkheid. Hij is de uitstraling, de glans van de straling van God. Het idee van helderheid, schijnen en straling wordt in de Schrift vaak met heerlijkheid verbonden. Het kan dus enerzijds zoiets als eer, erkenning of roem betekenen. In andere situaties kan het eenvoudig straling, licht, schijnsel of helderheid betekenen. Toen Jezus op de berg van de verheerlijking verheerlijkt werd,

Mattheüs 17:2

En Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd; Zijn gezicht straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht.

Gods heerlijkheid als Zijn voortreffelijkheid

Illustratie bij: Gods heerlijkheid als Zijn voortreffelijkheid.

Er is ook nog een andere betekenis waarin het woord heerlijkheid wordt gebruikt, en die betekenis is veel moeilijker te omschrijven. Die heeft te maken met de heerlijkheid van God, waarin de voorgaande definities kunnen zijn inbegrepen. Enerzijds krijgt God alle eer en alle erkenning voor wat Hij doet, en anderzijds straalt God een schitterend licht uit. Paulus vertelde Timotheus dat

1 Timotheüs 6:16

Hij Die als enige onsterfelijkheid bezit en een ontoegankelijk licht bewoont; Hem heeft geen mens gezien en niemand kan Hem ook zien. Hem zij eer en eeuwige kracht. Amen.

Maar wanneer we over de heerlijkheid van God spreken, hebben we het over meer dan dat. En dit aspect van wat de Bijbel met heerlijkheid bedoelt, is veel moeilijker te omschrijven. Volgens mij gaat het in wezen om de voortreffelijkheid en volmaaktheid van God Zelf, die van Hem uitstralen en waarvoor Hem alle eer toekomt. Het is Zijn wezenlijke voortreffelijkheid en hoe wonderbaar Hij in Zichzelf is, Zijn wezenlijke karakter. Wanneer de Bijbel over de heerlijkheid van Christus spreekt, denk ik dat het woord ook in die betekenis wordt gebruikt: het wezenlijke karakter en de voortreffelijkheid van Christus.

Paulus gaat in hoofdstuk 3 van 2 Korinthe spreken over de heerlijkheid die met het oude verbond verbonden is en de heerlijkheid die met het nieuwe verbond verbonden is. Hij bespreekt dat uitvoerig. Daarbij stelt hij vooral de mate van heerlijkheid die met het oude verbond verbonden is tegenover de mate van heerlijkheid die met het nieuwe verbonden is. Zoals hij heerlijkheid hier gebruikt, gaat het volgens mij om wezenlijke voortreffelijkheid, en er was voortreffelijkheid in het oude verbond. Zoals Paulus het in Romeinen hoofdstuk 7 verwoordde:

Romeinen 7:12

Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

Of zoals de psalmdichter zei:

Psalmen 19:8

De wet van de HEERE is volmaakt, zij bekeert de ziel; de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar, zij geeft de eenvoudige wijsheid.

Er worden in het boek Psalmen veel prachtige dingen gezegd over de wet van de Heere en het oude verbond. Lees Psalm 119 maar, dan zul je merken dat er schijnbaar geen einde komt aan de lofprijzingen op de heerlijkheden van de wet.

Er zat heerlijkheid in. Er zat majesteit in, omdat het een gedeeltelijke openbaring was van Gods eigen voortreffelijkheid en van Gods eigen deugdzaamheid. Door de wet te geven maakte God Zichzelf aan de mens bekend. Vooral de morele wet is eenvoudig een beschrijving van Gods eigen voortreffelijkheid, van Gods eigen reinheid en goedheid. Toen God zei:

Je mag dit of dat niet doen, beschreef Hij wat Hij Zelf niet doet. Hij vertelt de mens hoe hij God kan navolgen, hoe hij als God kan zijn, hoe hij even moreel en goed en rein kan zijn als God. Daarin wordt een zekere heerlijkheid van God zichtbaar, maar die is beperkt.

Mozes vraagt Gods heerlijkheid te zien

Illustratie bij: Mozes vraagt Gods heerlijkheid te zien.

Er is een verhaal in het Oude Testament waarop Paulus hier zinspeelt. Hij zinspeelt erop in 2 Korinthe, in deze bespreking. Dat verhaal staat, zoals je je misschien herinnert, in Exodus. Het begint in hoofdstuk 33 en loopt door over meer dan één hoofdstuk. In dit gedeelte van Exodus is er een soort uitvoerig gesprek tussen God en Mozes, aan het einde van hoofdstuk 33, en dat loopt dan door in hoofdstuk 34. In hoofdstuk 33:12 zegt Mozes:

Exodus 33:12-13

12Toen zei Mozes tegen de HEERE: Zie, U zegt tegen mij: Laat dit volk verdertrekken. U echter, U hebt mij niet laten weten wie U met mij meezendt, terwijl U Zelf gezegd hebt: Ik ken u bij uw naam, en ook: U hebt genade gevonden in Mijn ogen. 13Nu dan, als ik dan genade heb gevonden in Uw ogen, maak mij toch Uw weg bekend. Dan zal ik U kennen, opdat ik genade zal vinden in Uw ogen. En zie aan dat deze natie Uw volk is.

Exodus 33:14-16

God zei: ‘Mijn aanwezigheid zal met u meegaan, en Ik zal u rust geven.’ Mozes zei tegen Hem: ‘Als Uw aanwezigheid niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier vertrekken. Hoe zal anders bekend worden dat Uw volk en ik genade gevonden hebben in Uw ogen, tenzij U met ons meegaat? Daardoor zullen Uw volk en ik onderscheiden zijn van alle volken op aarde.’

Vers 17:

Exodus 33:17

Toen zei de HEERE tegen Mozes: Ook dit woord dat u spreekt, zal Ik doen, want u hebt genade gevonden in Mijn ogen en Ik ken u bij uw naam.

Exodus 33:18

Mozes zei: ‘Toon mij toch Uw heerlijkheid.’

Exodus 33:19

Maar Hij zei: Ík zal al Mijn goedheid bij u voorbij laten komen, en in uw aanwezigheid zal Ik de Naam van de HEERE uitroepen, maar Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal.

Exodus 33:20-23

Hij zei: ‘U kunt Mijn gezicht niet zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.’ De Heere zei: ‘Hier is een plaats bij Mij; ga op de rots staan. Wanneer Mijn heerlijkheid voorbijgaat, zal Ik u in een kloof van de rots plaatsen en u met Mijn hand bedekken terwijl Ik voorbijga. Daarna zal Ik Mijn hand wegnemen en zult u Mij van achteren zien; maar Mijn gezicht zal niet gezien worden.’

Mozes zei dus:

Exodus 33:18

Toen zei Mozes : Toon mij toch Uw heerlijkheid!

En God zegt:

Exodus 33:20

Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.

Recht van voren zou Gods heerlijkheid blijkbaar te schitterend, te heet en te verterend zijn voor enig sterfelijk mens om te verdragen. God zegt:

Ik zal je wat zeggen: Ik zal je laten weten hoe goed en genadig Ik ben.

God openbaart Zijn Naam en karakter

Illustratie bij: God openbaart Zijn Naam en karakter.

En dat doet Hij iets later, in het volgende hoofdstuk. Laat me precies aanwijzen in welke verzen Hij dit doet. Vers 6 en 7:

Exodus 34:6-7

6Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw, 7Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar Die de schuldige zeker niet voor onschuldig houdt en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde geslacht .

Daarmee vervult God dus Zijn belofte aan Mozes dat Hij hem Zijn Naam zou bekendmaken. En dat is omdat Mozes de heerlijkheid van God wilde zien. God zei:

Exodus 33:19-23

19Maar Hij zei: Ík zal al Mijn goedheid bij u voorbij laten komen, en in uw aanwezigheid zal Ik de Naam van de HEERE uitroepen, maar Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal. 20Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven. 21Ook zei de HEERE: Zie, hier is een plaats bij Mij, waar u op de rots moet gaan staan. 22En het zal gebeuren, als Mijn heerlijkheid voorbijtrekt, dat Ik u in een kloof van de rots neer zal zetten en u met Mijn hand zal bedekken totdat Ik voorbijgegaan ben. 23En zodra Ik Mijn hand wegneem, zult u Mij van achteren zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden.

En zoals je kunt zien, is Zijn Naam Zijn karakter:

vol medeleven en genade, geduldig en vol goedheid en trouw.

Dit is Gods karakter. Dit is Gods Naam. Dit is Zijn manier om als het ware Zijn heerlijkheid aan Mozes bekend te maken.

Het stralende gezicht en de sluier van Mozes

Illustratie bij: Het stralende gezicht van Mozes.

Hoewel Mozes het zelf niet wist, wordt ons verteld dat de huid van zijn gezicht straalde nadat hij dit kleine glimpje van Gods karakter en voortreffelijkheid had gezien. Het werkte als het ware aanstekelijk, en daardoor straalde ook Mozes' eigen gezicht. In vers 29 van hoofdstuk 34 van Exodus staat:

Exodus 34:29

En het gebeurde, toen Mozes van de berg Sinaï afdaalde — de twee tafelen van de getuigenis waren in Mozes' hand, toen hij van de berg afdaalde — dat Mozes niet wist dat de huid van zijn gezicht glansde, omdat de HEERE met hem gesproken had.

Ik lees verder. Er staat:

Exodus 34:30-35

30Aäron en al de Israëlieten keken Mozes aan, en zie, de huid van zijn gezicht glansde. Daarom waren zij bevreesd om dichter bij hem te komen. 31Mozes riep hen echter bij zich . Aäron en al de leiders van de gemeenschap keerden naar hem terug, en Mozes sprak tot hen. 32Daarna kwamen al de Israëlieten naar voren en hij gebood hun alles wat de HEERE met hem besproken had op de berg Sinaï. 33Nadat Mozes geëindigd had met hen te spreken, legde hij een doek over zijn gezicht. 34Maar telkens wanneer Mozes voor het aangezicht van de HEERE kwam om met Hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten ging. En wanneer hij naar buiten gegaan was, sprak hij tot de Israëlieten wat hem geboden was. 35En als de Israëlieten aan het gezicht van Mozes zagen dat de huid van het gezicht van Mozes glansde, dan deed Mozes de doek weer over zijn gezicht, totdat hij naar binnen ging om met Hem te spreken.

Je kent dit verhaal waarschijnlijk al, maar ik wilde al die verschillende gedeelten voorlezen. Paulus put namelijk uit het materiaal dat we zojuist in Exodus hebben gelezen. Hij gebruikt dit als een illustratie van de allesovertreffende heerlijkheid van het nieuwe verbond tegenover de mate van heerlijkheid die met het oude verbond verbonden was. De voortreffelijkheid en majesteit en volmaaktheid van God werden in zekere mate zichtbaar in het oude verbond. Dat wordt uitgebeeld door het feit dat Mozes Gods gezicht niet zag, maar wel Zijn rug, en dat is toch iets. Hij zag iets van Gods heerlijkheid. Een gedeelte van het karakter en de voortreffelijkheid van God werd hem bekendgemaakt. En zelfs zijn gezicht werd hierdoor beïnvloed, zodat zijn gezicht erdoor straalde.

Maar let erop dat hij zijn gezicht bedekte. Daardoor kregen degenen die door Mozes bediend werden de volle heerlijkheid niet te zien, zelfs niet zoveel als Mozes had gezien, omdat die bedekt was. Om te beginnen voelden ze zich er niet prettig bij om die te zien. Daarom bedekte hij zijn gezicht, en die sluier verhinderde dat ze de volle heerlijkheid zagen, ook al was dat de heerlijkheid van het oude verbond.

Gods heerlijkheid zien in Christus

Illustratie bij: Gods heerlijkheid zien in Christus.

Paulus gaat die feiten nu gebruiken om te illustreren hoe de Joden tot op heden nooit in staat zijn geweest om de heerlijkheid van God ten volle te zien, tenzij ze zich tot Christus keren. Ze begrijpen de heerlijkheid van het Evangelie van God niet. Ze begrijpen de heerlijkheid van de genade van God niet. Ze begrijpen de heerlijkheid van Gods eigen karakter en voortreffelijkheid niet, omdat deze dingen in Christus worden geopenbaard. En totdat iemand zich tot Christus keert, is alle heerlijkheid die er in het oude verbond te vinden mag zijn een bedekte, gefilterde heerlijkheid, die ontoereikend is om ons leven te veranderen.

Aan het einde van deze hele bespreking zal Paulus in 2 Korinthe, hoofdstuk 4, vers 6, erop wijzen. Daar staat:

2 Korinthe 4:6

Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is ook Degene Die in onze harten geschenen heeft tot verlichting met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.

De Joden konden niet naar het gezicht van Mozes kijken omdat het bedekt was, maar wij kijken naar het gezicht van Jezus en daar zien we het licht van de kennis van de heerlijkheid van God. Datgene wat Mozes niet echt kon zien, en wat de mensen die naar Mozes keken niet konden zien omdat zijn gezicht bedekt was. Maar wij hebben een onbedekt gezicht, zegt hij in hoofdstuk 3 en vers 18.

2 Korinthe 3:18

Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt .

Voorbijgaande en toenemende heerlijkheid

Illustratie bij: De voorbijgaande heerlijkheid van Mozes.

Dit is iets waar Paulus minstens een paar hoofdstukken over zal spreken, namelijk dat de heerlijkheid van het oude verbond indrukwekkend was. Paulus wil de heerlijkheid van God niet kleineren die te zien was in de wonderen en de wonderbaarlijke dingen van Zijn wet en in wat Hij in het oude verbond openbaarde. Maar één ding is duidelijk: die heerlijkheid was tijdelijk. Het oude verbond was een tijdelijke regeling die vervangen zou worden door iets wat erboven stond. Wanneer Jezus zou komen, zou dat het oude verbond vervangen. Dat betekent dat de heerlijkheid van het oude verbond, wat er ook ten gunste ervan gezegd mag worden, een voorbijgaande heerlijkheid was. Het was niet de blijvende vertoning van Gods heerlijkheid.

Paulus ziet in de glans op het gezicht van Mozes een symbool hiervan. Mozes vertegenwoordigt het hele oude verbond: hij was de man die het gaf. Er was heerlijkheid op zijn gezicht, maar die heerlijkheid vervaagde. Die heerlijkheid was niet blijvend. Hij had die heerlijkheid niet de rest van zijn leven op zijn gezicht. Uiteindelijk verdween die, in de loop van dagen of weken. Paulus zal dus wijzen op de heerlijkheid op het gezicht van Mozes, de man die het oude verbond gaf. Die heerlijkheid vervaagde. Zo is ook de heerlijkheid van dat verbond zelf een vervagende heerlijkheid. Het is een verbond dat net zomin blijvend is als de glans op het gezicht van Mozes blijvend was.

Het nieuwe verbond is echter niet alleen blijvend, maar breidt zich voortdurend uit en neemt voortdurend toe in heerlijkheid. Dus anders dan Mozes, die zijn gezicht bedekte terwijl de heerlijkheid vervaagde, ontbloten wij ons gezicht, kijken naar het gezicht van Jezus, zien de heerlijkheid van God en worden van heerlijkheid tot heerlijkheid veranderd naar datzelfde beeld. De heerlijkheid van het nieuwe verbond neemt steeds toe. En ze is ook aanstekelijk. Toen Mozes God van achteren zag, werd hij daardoor als het ware aangestoken en kreeg hij iets van die heerlijkheid op zich. Maar die heerlijkheid vervaagde. Maar wanneer wij naar Jezus kijken, is de heerlijkheid waarmee dat ons aansteekt of die het aan ons overdraagt geen vervagende heerlijkheid, maar een toenemende heerlijkheid, van heerlijkheid tot heerlijkheid naar datzelfde beeld.

En dit zijn dus enkele van de, ik zou moeten zeggen, enigszins mystieke aspecten van de heerlijkheid van God die in de Schrift vrijwel nooit, als het al ooit gebeurt, echt worden uitgelegd of beschreven, maar die ten grondslag lijken te liggen aan Paulus' woordgebruik. En zo komen we bij deze passage in 2 Korinthe 3, waar hij dit verhaal over Mozes en de heerlijkheid op zijn gezicht gebruikt als een beeld van hoe de heerlijkheid van het oude verbond in geen enkel opzicht gelijk is aan de heerlijkheid van het nieuwe verbond. En zijn hele reden om deze bespreking te geven moet toch wel zijn dat hij vond dat de Korinthiërs op de een of andere manier werden beïnvloed door degenen die hen onder de slavernij van het oude verbond wilden brengen.

En dus wil hij erop wijzen dat zijn bediening geen bediening van de dood en van de letter van het oude verbond was. Zijn bediening was een bediening van het nieuwe verbond en van het leven. En dat was de voornaamste tegenstelling die hij wilde aangeven tussen zichzelf en die leraren die hem daar tegenwerkten.

De grotere heerlijkheid van het nieuwe verbond

Illustratie bij: De grotere heerlijkheid van het nieuwe verbond.

Dus in vers 7 zegt hij:

2 Korinthe 3:7

Als nu de bediening van de dood, met letters in stenen gegrift, in heerlijkheid was, zodat de Israëlieten hun ogen niet op het gezicht van Mozes gericht konden houden vanwege de heerlijkheid van zijn gezicht, hoewel die tenietgedaan zou worden,

Het punt hier is dus dat er een heerlijkheid was, een aanzienlijke heerlijkheid. Er was een indrukwekkende heerlijkheid in het oude verbond, zo indrukwekkend dat de glans op het gezicht van Mozes verontrustend was. Het volk Israël vond het beangstigend. Ze konden het niet verdragen ernaar te kijken. Maar hoe heerlijk dat ook was, het ging voorbij. Het was een heerlijkheid die niet blijvend was. Hij zegt:

2 Korinthe 3:8

hoeveel te meer zal dan de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn?

En vooral de manier waarop hij over het Oude Testament spreekt als de bediening van de dood, plaatst dat beslist in een negatief licht. Dat staat tegenover de bediening van de Geest, die, zoals hij in vers 6 zei, leven geeft.

In vers 9 zegt hij:

2 Korinthe 3:9

Want als de bediening van de verdoemenis al heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid.

Met ‘de bediening van de verdoemenis’ bedoelt hij opnieuw het oude verbond; met ‘de bediening van de gerechtigheid’ bedoelt hij het nieuwe verbond. De reden waarom het oude verbond de bediening van de veroordeling wordt genoemd, is, zoals ik eerder zei, dat het mensen alleen kon vertellen wat ze moesten doen en dat ze veroordeeld zouden worden als ze dat niet deden. Het kon hen niet helpen om het te doen of hen ertoe brengen het te doen. Het uiteindelijke resultaat in het leven van mensen die alleen bij dat verbond gerechtigheid zochten, was daarom dat ze onvermijdelijk veroordeeld werden door de eisen ervan, waaraan ze niet konden voldoen. Maar het Nieuwe Testament, het nieuwe verbond, is een bediening van gerechtigheid, omdat gerechtigheid ons door het nieuwe verbond wordt toegerekend en in ons wordt gewerkt door de Geest van God en door Christus. En dus wordt het op dat specifieke punt natuurlijk gunstiger besproken dan het oude verbond. Maar opnieuw maakt hij hetzelfde punt, of het nu gaat om de verzen 7 en 8 aan de ene kant of vers 9 aan de andere kant. In beide gevallen zegt hij in wezen: als het oude verbond heerlijk was, is het nieuwe verbond heerlijker. Hij gebruikt er alleen andere woorden voor wanneer hij het op die verschillende manieren zegt.

De glans van Mozes tegenover die van Jezus

Illustratie bij: De allesovertreffende glans van Jezus.

In vers 10 zegt hij:

2 Korinthe 3:10

Immers, zelfs dat wat verheerlijkt was, is in dit opzicht niet heerlijk geweest, vergeleken met de allesovertreffende heerlijkheid.

En ik geloof dat hij daar verwijst naar het gezicht van Mozes, dat ging stralen toen hij God van achteren zag.

Dat is een vreemde uitspraak, maar volgens mij zegt hij dat zelfs het gezicht van Mozes, dat heerlijk werd, eigenlijk geen heerlijkheid had in vergelijking met de heerlijkheid die in het gezicht van Jezus is.

Misschien bedoelt hij het zelfs letterlijk, want op de berg van de verheerlijking straalde het gezicht van Jezus als de zon. En we weten niet hoe sterk het gezicht van Mozes straalde. Zijn gezicht straalde op een bovennatuurlijke manier, maar misschien lang niet zo schitterend als het gezicht van Jezus straalde. Misschien zegt hij zelfs dat het gezicht van Mozes, dat heerlijk werd, geen heerlijkheid had in vergelijking met wat het in heerlijkheid overtreft. Dat zou het gezicht van Jezus zijn, dat hij later uitdrukkelijk noemt.

Wanneer hij daarop wijst, doet hij dat natuurlijk vooral om symbolische redenen. De mate waarin het gezicht van Jezus of het gezicht van Mozes straalde, zou op zichzelf nauwelijks het vermelden waard zijn, tenzij het bedoeld is als een metafoor of als een illustratie van het verbond van Mozes en het verbond van Jezus. Het ene heeft beslist een grotere heerlijkheid dan het andere.

Vers 11 zegt:

2 Korinthe 3:11

Want als wat tenietgedaan wordt in heerlijkheid was, veel meer is wat blijft in heerlijkheid.

‘Wat tenietgedaan wordt’ verwijst opnieuw naar het oude verbond. Met ‘wat blijft’ wordt het nieuwe verbond bedoeld.

Waarom Mozes zijn gezicht bedekte

Illustratie bij: Mozes bedekt zijn gezicht voor het volk.

Ik heb sommige predikers horen zeggen dat dit vers ons vertelt dat Mozes de sluier droeg omdat hij niet wilde dat de kinderen van Israël merkten dat de heerlijkheid op zijn gezicht aan het verdwijnen was. Op de een of andere manier zou dat zijn ego hebben gestreeld. Hij had dat stralende gezicht, en dat bewees dat hij bij God was geweest en liet zien dat hij geestelijk boven iedereen stond, en daar genoot hij van. De reden waarom hij de sluier omdeed, was dat hij zag dat de glans aan het verdwijnen was, en hij wilde niet dat zij zagen dat die aan het verdwijnen was. Hij wilde die erkenning als geestelijk man in de ogen van het volk niet verliezen.

Ik weet niet waar predikers dit vandaan halen. Misschien is er iets in de bewoording van dit vers in een bepaalde vertaling dat hen ertoe heeft gebracht zo te denken, maar dat is niet wat hij zegt. Hij zegt helemaal niets van dien aard, en in Exodus vinden we dat beslist niet. In Exodus deed Mozes een sluier voor zijn gezicht, niet omdat hij wilde verbergen dat de heerlijkheid aan het verdwijnen was, maar omdat de mensen er gewoon niet naar wilden kijken. Ze raakten erdoor van hun stuk. Het was te vreemd, en ze waren bang en geïntimideerd. Om hun tegemoet te komen, deed hij een sluier voor zijn gezicht.

Dit zegt niets anders dan dat.

2 Korinthe 3:12-13

12Omdat wij dan een dergelijke hoop bezitten, gaan wij met veel vrijmoedigheid te werk, 13en doen wij niet zoals Mozes, die een bedekking op zijn gezicht legde, opdat de Israëlieten hun ogen niet gericht zouden houden op het einddoel van wat tenietgedaan wordt.

Ik vermoed dat ze suggereren dat Mozes niet wilde dat het volk zag dat hier een einde aan kwam, omdat er staat:

2 Korinthe 3:13

opdat de Israëlieten hun ogen niet gericht zouden houden op het einddoel van wat tenietgedaan wordt.

Maar dat is helemaal niet wat Paulus zegt. Paulus zegt alleen dat de mensen het niet konden verdragen ernaar te kijken. Zo helder was het. Maar ook al was het zo helder, het was nog steeds iets waar een einde aan kwam. Het was nog steeds iets wat voorbij zou gaan.

Wat Paulus probeert te doen, is in zijn illustraties de waardigheid van het oude verbond zo veel mogelijk te bewaren. Maar hij wijst er ook op dat, wat hun waardigheid ook mocht zijn, de wetten van het oude verbond een voorbijgaand verschijnsel waren. Daarom was de heerlijkheid van dat verbond, of wat het ons ook over God leerde, niet de blijvende les die God ons over Zichzelf wilde geven. Het was niet de laatste keer dat de heerlijkheid van God aan ons geopenbaard zou worden. Het was slechts een tijdelijke openbaring.

De bedekking bij het lezen van Mozes

Illustratie bij: De bedekking bij het lezen van Mozes.

Hij zegt in vers 14:

2 Korinthe 3:14-17

14Maar hun gedachten werden verhard, want tot op heden blijft diezelfde bedekking bij het lezen van het Oude Testament, zonder te worden weggenomen. Die bedekking wordt tenietgedaan in Christus. 15Ja, tot op heden ligt er, wanneer Mozes gelezen wordt, een bedekking op hun hart. 16Maar wanneer het zich tot de Heere bekeert, wordt de bedekking weggenomen. 17De Heere nu is de Geest; en waar de Geest van de Heere is, daar is vrijheid.

Paulus zegt in wezen dat de Joden van zijn tijd in dit opzicht sterk lijken op de Joden uit de tijd van Mozes. De Joden uit de tijd van Mozes wilden niet werkelijk de volle heerlijkheid van God zien, en daarom werd hun die onthouden. Mozes deed een sluier over zijn gezicht, en zo werd hun die aanblik onthouden. Zo is het ook met de Joden van zijn eigen tijd, zegt Paulus. En dat zouden we mogelijk ook van onze eigen tijd kunnen zeggen. Omdat ze zich niet volledig tot de Heere wenden, is Gods heerlijkheid iets ongemakkelijks voor hen, en daarom is hun verstand gesluierd. Zelfs wanneer Mozes wordt voorgelezen, kunnen ze niets onder de oppervlakte zien. Paulus kon dat wel, en de apostelen konden dat wel. Dat kwam deels doordat Jezus hun verstand opende, zodat ze de Schriften van het Oude Testament konden begrijpen. En Paulus zei in 1 Korinthe hoofdstuk 2:

1 Korinthe 2:9

Maar het is zoals geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben.

Paulus bedoelt dat de apostelen door de Geest openbaring hadden ontvangen over dingen die met het natuurlijke oog niet te zien waren en die het natuurlijke verstand niet kon herkennen. De wet had zo haar verborgen geheimen. Later in dit boek zal Paulus voorbeelden geven van de geestelijke dingen die hij in de wet ziet sinds Christus zijn ogen heeft geopend. Maar hij zegt dat de hedendaagse Jood, hoewel hij het gezicht van Mozes niet ziet zoals de Jood in de tijd van Mozes dat zag, via zijn geschriften met Mozes in aanraking komt. Gods heerlijkheid is voor de hedendaagse Jood bij het lezen van de geschriften van Mozes evenzeer verhuld als voor de Jood uit de tijd van Mozes die naar zijn gezicht keek. Er bevindt zich een sluier tussen de heerlijkheid van God, die in de wet is, en degene die kijkt en zich nog niet tot Christus heeft gewend.

Maar hij zegt:

Maar als iemand zich naar de Heer keert, wordt die sluier weggenomen.

Zich tot de Heere keren neemt de sluier weg

Illustratie bij: Mozes neemt de sluier weg voor de Heere.

Die uitspraak is heel goed mogelijk Paulus’ manier om een concrete uitspraak uit het verhaal dat we zojuist hebben gelezen geestelijk uit te leggen. In Exodus hoofdstuk 34, waar we daarnet uit lazen, wordt verteld dat Mozes zijn gezicht sluierde wanneer hij met het volk sprak. Maar in Exodus hoofdstuk vierendertig, vers vierendertig, staat:

Exodus 34:34

Maar telkens wanneer Mozes voor het aangezicht van de HEERE kwam om met Hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten ging. En wanneer hij naar buiten gegaan was, sprak hij tot de Israëlieten wat hem geboden was.

Hij droeg een sluier wanneer hij met mensen sprak, maar wanneer hij met de Heere sprak, wanneer hij zich tot de Heere wendde, deed hij de sluier af. Wanneer Paulus zegt:

Als iemand zich naar de Heer keert, wordt de sluier weggenomen, geeft hij misschien een geestelijke, bijna mystieke toepassing van het letterlijke feit dat Mozes zijn sluier afdeed wanneer hij zich naar de Heere keerde.

Dit wijst op de mogelijkheid dat ze zichzelf de sluier over hun hart waar Paulus over spreekt, hebben opgelegd. Als iemand zich tot de Heere wendt, moet hij de sluier afdoen. Hij moet ophouden te weigeren om te zien wat er werkelijk is. Hij moet ervoor openstaan. Paulus is een Jood die inderdaad ooit een sluier over zijn hart had, maar die sluier was weggenomen. We zouden kunnen zeggen dat God die wegnam, want we weten dat Jezus in heerlijkheid en schittering, in een helder licht, verblindend aan Paulus verscheen. Toen hij op de weg naar Damascus een glimp van de heerlijkheid van Christus opving, werd de sluier weggenomen. Misschien speelt ook mee dat Paulus tot op zekere hoogte moest toelaten dat de sluier werd weggenomen.

Trots en reputatie als hindernis voor bekering

Illustratie bij: Paulus aanvaardt de omkeer van zijn leven.

Natuurlijk zouden calvinisten het op dat punt niet met me eens zijn. Maar volgens mij kan een mens de waarheid zien en zich toch van de waarheid afwenden, als hij daar koppig genoeg voor is. Ik denk dat hij bereid moet zijn om te zeggen: ‘Oeps, ik had het mis.’ Bedenk hoe beschamend het voor Paulus zou zijn geweest toen hij Jezus zag en besefte: ‘Ik heb zojuist in de hele Joodse wereld een reputatie opgebouwd. Iedereen kent mij als de vervolger van het christendom, en nu wordt mij gevraagd christen te worden. Dit wordt echt beschamend.’

Het is alsof Hal Lindsey, nadat hij 24 miljoen exemplaren van zijn Late Great Planet Earth heeft verkocht, zou besluiten amillennialist te worden. Je bouwt je hele reputatie op één theologisch standpunt, waarvan je de belangrijkste voorvechter bent geworden. En dan besluit je na jaren dat je het mis had, en dat je nu moet steunen waar je tegen was. Ik zeg niet dat iemand niet zo volledig van standpunt kan veranderen. Paulus deed het. Maar veel mensen zouden het niet doen.

Dokter Spock deed het vlak voordat hij stierf. Ja, inderdaad. In zijn beroemde boeken, die verschillende generaties mensen hebben geruïneerd, zei hij dat een pak slaag niet goed was voor kinderen. Toen hij oud was geworden en op zijn sterfbed lag, zei hij: ‘Nou, ik ben van gedachten veranderd. Ik denk dat het goed is voor kinderen.’ Een beetje laat voor twee generaties mensen die door zijn advies slecht zijn opgevoed, maar af en toe komt iemand op zijn standpunt terug. Dat vraagt ofwel nederigheid, of je moet maar hopen dat de mensen tegenover wie je het toegeeft je eerdere boeken nooit hebben gelezen, en dat je een latere generatie toespreekt of zoiets.

Maar veel mensen zouden dat niet doen. Veel mensen zouden niet veranderen omdat hun ego er te veel mee verweven is. Hun reputatie hangt er te veel van af. Ze hebben hun carrière opgebouwd op hun vasthouden aan een bepaald standpunt. En voor veel Joden is het heel moeilijk om te veranderen.

De sociale prijs van bekering voor Joden

Illustratie bij: De sociale prijs van een geloofskeuze.

Er is een Joodse man — ik zal zijn naam niet noemen — maar hij is presentator van een praatprogramma, een conservatief. Eigenlijk zou ik het over een van twee mannen kunnen hebben. Ik kan twee mannen bedenken die aan deze beschrijving voldoen: conservatieve, moreel hoogstaande, Joodse presentatoren van radiopraatprogramma’s. En wanneer ze het over evangelische christenen hebben, spreken ze met het grootste respect over hen. Ze zeggen dat ze geloven dat het christendom de beste vriend is die Israël ooit heeft gehad. Telkens wanneer iemand opbelt om religieus rechts af te kraken, dat natuurlijk meestal christelijk is, nemen deze Joodse mannen het voor hen op. Ze zeggen: ‘Nee, wat jij de religieuze extremisten noemt, of de rechtse extremisten, noem ik fatsoenlijke mensen die eindelijk van zich laten horen en dat al veel eerder hadden moeten doen.’

Ik vind het altijd verbazingwekkend als ik dat hoor. Ik denk: ‘Waarom wordt deze man geen christen?’ Hier heb je een Joodse man. Hij bewondert christenen. Hij denkt niet slecht over hen, zoals de meeste Joden in de dagen van Paulus deden. En de meeste Joden hebben door de geschiedenis heen slecht over christenen gedacht. Maar dit zijn Joodse mannen van wie de morele opvattingen en de algemene kijk op veel dingen in het leven heel goed met het christendom zouden overeenstemmen. Zelf spreken ze positief over het christendom, maar ze geven geen enkele aanwijzing dat ze ooit van plan zijn stappen te zetten om zelf christen te worden.

Ik denk: waarom? Waarom zouden ze dat niet doen? Zouden ze het niet op zijn minst overwegen? Zonder met hen te praten weet ik dat natuurlijk niet, maar ik heb geprobeerd dit te begrijpen, omdat ik erover heb nagedacht om met deze mannen over de Heere te praten. Ik dacht: ‘Dat heeft vast al iemand gedaan. Waarom hebben ze die stap niet gezet?’ Ze keren zich in het openbaar niet tegen het christendom.

Ik denk dat het waarschijnlijk hieraan ligt: deze mannen zijn Joden, en wanneer een Jood christen wordt, beschouwt zijn Joodse gemeenschap hem als een verrader. Hij heeft Joodse ouders, Joodse neven en nichten, Joodse broers en zussen, mede-Joden in zijn synagoge. Hoewel hij ook met heidenen omgaat, staat hij al tientallen jaren als Jood bekend. Hij is een oudere man. Zijn voornaamste sociale contacten zijn waarschijnlijk Joden, of mensen die hem in elk geval vanuit zijn Joodse identiteit zien, enzovoort. Als hij zou zeggen: ‘Ik ben geen Jood, ik ben christen’, zou dat worden gezien als een bijzonder ernstig verraad en een radicale ommekeer. Veel Joodse mensen kunnen dat eenvoudigweg niet doen.

Er zijn tijden en plaatsen in de geschiedenis geweest waarin Joodse ouders een begrafenis voor hun kind hielden als het christen werd. Ze zeggen: ‘Je bent dood voor ons.’ Het is heel symbolisch en een bijzonder ingrijpende vorm van afwijzing van hun kind als het christen wordt. Dit is door de geschiedenis heen niet ongebruikelijk geweest wanneer Joodse mensen christen worden. Ze worden volledig afgewezen. Hun familieleden en vrienden willen niet meer met hen praten. Er zijn Joden die zoiets gewoon niet eens zouden overwegen.

Het is net alsof Hal Lindsey amillennialist zou worden: al zijn vrienden aan het Dallas Theological Seminary zouden waarschijnlijk niet meer met hem praten. Ik weet niet zeker of dat waar is, maar hij stelt zich waarschijnlijk voor dat het waar is. ‘Hoe zou ik deze mensen ooit nog onder ogen kunnen komen als ik me zou bekeren en christen zou worden?’ Ik dacht aan Joden. Ik zeg niet dat Hal Lindsey geen christen is. Ik zeg dat Joden zichzelf, meer dan de aanhangers van de meeste godsdiensten, als tegenstanders van het christendom zien.

Daarom ligt daar een bedekking. De persoon die Mozes leest, zou Christus in het Oude Testament kunnen zien als hij zichzelf dat toestond, maar dat doet hij niet. Het is te pijnlijk, de prijs is te hoog. Het zou te veel offers vragen. Dus moet er ook van de kant van die persoon bereidheid zijn om de bedekking weg te nemen.

Daar ligt een bedekking. Het is mogelijk dat het grotendeels een bedekking is die God heeft opgelegd omdat ze niet bereid zijn geweest Christus te erkennen. Maar het is hun gebrek aan bereidheid dat God ertoe zou brengen zo’n bedekking op te leggen.

Verharding als keuze en als Gods oordeel

Illustratie bij: Paulus leest de Schrift met nieuw inzicht.

We lezen iets dergelijks in Romeinen hoofdstuk 11. Paulus spreekt in Romeinen hoofdstuk 11 over de toestand van het Joodse volk, en hij zegt in vers 7:

Romeinen 11:7

Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen en de anderen zijn verhard,

Die verharding of verblinding is een werk van God. Dat weten we omdat hij in vers 8 zegt:

Romeinen 11:8

zoals geschreven staat: God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de dag van heden.

Dus het Joodse volk, sommigen van hen tenminste, is verhard. God heeft hun gegeven:

ogen die niet kunnen zien, oren die niet kunnen horen, harten die niet kunnen begrijpen.

Maar ik geloof niet dat dit iets is wat God eenzijdig heeft gedaan, zonder rekening te houden met wat zij zelf hebben gekozen.

Ik geloof dat er Joden zijn die zichzelf hebben toegestaan het christendom te omarmen, hoewel het hen diep vernedert en hen in hoge mate buiten de gemeenschap plaatst. Het kost hun heel veel en vraagt een groot offer van hen om dat te doen. Er zijn anderen die eenvoudigweg niet eens willen overwegen zo’n offer te brengen. Ze staan zichzelf gewoon niet toe om daar ook maar als een mogelijkheid over na te denken. Het is te pijnlijk, en daarom worden ze als oordeel verblind.

Dus die sluier die over het gezicht ligt, is volgens mij deels iets wat iemand zichzelf oplegt en deels iets wat God als oordeel oplegt. Maar wanneer iemand zich tot de Heere keert, wordt de sluier weggenomen. Dat maakt duidelijk dat God niet zomaar eenzijdig een sluier heeft opgelegd. Als dat zo was, zou iemand zich niet tot de Heere kunnen keren. Zo iemand zou niet kunnen zien, omdat God het voor hem versluierd heeft. Maar als iemand zijn hart verandert en het naar God richt, neemt God plotseling de sluier weg. Dan kan die persoon allerlei dingen zien die hij daarvoor niet kon zien. Paulus zou daar een heel goed voorbeeld van zijn. In al zijn brieven citeert hij uit het Oude Testament. Waarschijnlijk zijn dat verzen die hij goed kende toen hij een Farizeeër was, maar die hij helemaal niet begreep. Als Farizeeër zou hij ze beslist niet begrepen hebben zoals hij ze begreep nadat hij christen was geworden. De sluier wordt weggenomen en hij wordt bevrijd van dat oude verbond. Er is een nieuw verbond dat het vervangt.

De verhouding tussen Christus en de Geest

Illustratie bij: Jezus belooft een andere Trooster.

Hij zegt in vers 17:

2 Korinthe 3:17

De Heere nu is de Geest; en waar de Geest van de Heere is, daar is vrijheid.

De uitspraak:

de Heer is de Geest is misschien een van de verzen die vaak worden gebruikt door modalisten of door mensen die alleen Jezus erkennen. Hun theologie wordt oneness genoemd. In tegenstelling tot het traditionele trinitarisme wijzen zij erop dat de Geest van God Dezelfde is als Jezus.

Jezus is de Heere en de Heilige Geest is de Heilige Geest. Zeggen dat de Heere de Geest is, komt op hetzelfde neer als zeggen dat Jezus de Heilige Geest is. Zij zouden erop wijzen dat Jezus in Jesaja 9:6 ook de Vader wordt genoemd. Daar staat dat Zijn Naam, waarmee de Naam van de Messias wordt bedoeld, zo genoemd zou worden:

Jesaja 9:5

Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouder. En men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.

Dus zeggen zij dat Jezus de Vader is en dat Jezus de Geest is. Daarom is er alleen Jezus. Daarom erkennen zij alleen Jezus. De Vader en de Geest zijn slechts verschillende verschijningsvormen van Jezus. Dit vers wordt gebruikt om dat punt te bewijzen.

Ik zou het iets anders zien, omdat ik zelf meer naar het trinitarisme neig. Ik denk dat wanneer hij zegt:

2 Korinthe 3:17

De Heere nu is de Geest;

hij zojuist heeft gezegd:

2 Korinthe 3:16

Maar wanneer het zich tot de Heere bekeert, wordt de bedekking weggenomen.

Nu is de Heere de Geest. Ze moeten zich tot de Geest keren. Er is natuurlijk een heel wezenlijk verband tussen de identiteit van Jezus en die van de Heilige Geest. Zozeer zelfs dat Jezus, toen Hij zei dat Hij hun de Trooster zou zenden, in Johannes 14 kon zeggen:

Johannes 14:18

Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe.

De komst van de Heilige Geest is in feite de komst van Christus tot je. Christus woont in jullie harten, niet persoonlijk, maar door Zijn Geest. Jezus Christus is aan de rechterhand van God de Vader. En de Bijbel maakt duidelijk dat Hij daar niet weggaat totdat Hij hier terugkomt voor ons allemaal.

Dus Wie is er in mijn hart? De Geest van Christus is in mijn hart.

Romeinen 8:9

Maar u bent niet in het vlees, maar in de Geest, wanneer althans de Geest van God in u woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die is niet van Hem.

Paulus zegt dat al deze dingen hetzelfde betekenen. Je hebt de Geest van Christus, je hebt de Heilige Geest. De Heilige Geest is in je, Christus is in je. Er is beslist, beslist een verband tussen Christus en de Heilige Geest. Dat verband betekent echter niet dat Ze volkomen Dezelfde zijn. Jezus noemde de Heilige Geest immers een andere Trooster, niet Dezelfde. Jezus was hun Trooster. Jezus was hun Parakleet. Maar Hij zei:

Johannes 14:16

En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid,

Dat betekent letterlijk een Ander van dezelfde soort. Maar niet Dezelfde. Er is een verschil tussen Jezus en de Heilige Geest, maar er is ook een overeenkomst in identiteit.

Dit is natuurlijk altijd een onderdeel geweest van het mysterie van wat wij de Drie-eenheid noemen. Wat ik zeg, is dat de formulering geen zogenaamde oneness-theologie of een theologie waarin alleen Jezus wordt erkend vereist om dit vers te kunnen begrijpen. Maar het is heel moeilijk om het te begrijpen. Het enige wat we kunnen zeggen, is dat er een heel nauw verband wordt bedoeld. Je tot de Heere keren is je keren tot de Geest, Die de ogen opent en vrijheid geeft van de slavernij van de wet.

De Heere aanschouwen als in een spiegel

Illustratie bij: De Heere aanschouwen als in een spiegel.

Paulus zegt in hoofdstuk 3, vers 18:

2 Korinthe 3:18

Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt .

Nu, het ongesluierde gezicht. Wij hebben een ongesluierd gezicht. Waarom? Omdat we ons tot de Heere keren. Bedenk dat Mozes de sluier afdeed telkens wanneer hij voor de Heere kwam. Wij leven ons leven met ons gezicht naar de Heere gekeerd. We hebben ons tot de Heere gekeerd. Wij hebben de sluier niet. De sluier wordt weggenomen wanneer iemand zich tot de Heere keert. Dat is wie wij zijn. Wij zijn degenen die zich tot de Heere hebben gekeerd. Daarom hebben we een ongesluierd gezicht en aanschouwen we de heerlijkheid van de Heere. Maar hij zegt:

zoals in een spiegel.

Wij aanschouwen de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel.

Bedenk dat een spiegel in de tijd van Paulus niet van glas was gemaakt. Ze hadden toen geen glazen spiegels. Ze hadden gepolijste messing platen waarin ze een soort weerspiegeling konden zien, en die dienden als spiegel. Wanneer de Bijbel over een spiegel spreekt, moet je bedenken dat wij vanuit onze cultuur bij een spiegel aan het ene denken, terwijl zij iets anders een spiegel noemden. Een zorgvuldig gepolijste messing plaat was het beste wat ze konden maken om een glimp van zichzelf op te vangen. Maar door de onvolkomenheden in het oppervlak van het messing konden ze het beeld niet zo goed krijgen als wij dat tegenwoordig met kwik op glas kunnen. Het beeld dat ze terugzagen was enigszins wazig. Ze konden zichzelf zien. Ze konden zien of hun haar min of meer goed zat, of hun make-up goed was aangebracht, of wat dan ook. Maar het beeld was niet zo helder als wat je in een van onze moderne spiegels zou zien.

Toen Paulus in 1 Korinthe 13 zei:

1 Korinthe 13:12

Nu immers kijken wij door middel van een spiegel in een raadsel, maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen, zoals ik zelf gekend ben.

wilde hij daarmee duidelijk maken dat we nu de Heere aanschouwen, maar dat het is als het beeld in een spiegel, dat niet zo heel helder is.

Wat ons beeld van Jezus kleurt

Illustratie bij: Wat ons beeld van Jezus kleurt.

Maar ook al is dat zo, toch aanschouwen we de heerlijkheid van God. Het is misschien een beetje wazig, waziger dan het zal zijn wanneer we Hem van aangezicht tot aangezicht zien, maar het is er nog steeds. We kijken naar Jezus, en Jezus is voor ons niet helemaal onzichtbaar. Ongetwijfeld vertoont onze waarneming van Jezus enkele gebreken. Ieder van jullie heeft een beeld in gedachten van hoe Jezus was. Niet alleen van hoe Hij eruitzag, maar ook van hoe Hij Zich gedroeg. Je denkt aan Jezus en vraagt je af: ‘Wat zou Jezus doen?’ of: ‘Wat voor iemand is Jezus?’ Elke christen denkt daarover na, en elke christen haalt zich een bepaald beeld voor de geest. Ik heb het niet noodzakelijk over een lichamelijk beeld van Zijn uiterlijk. Ik heb het over een bepaald idee, een bepaalde voorstelling van hoe Jezus was, wat Jezus in deze situatie zou doen.

Toch kunnen we er niet zeker van zijn dat wat we ons voorstellen altijd honderd procent juist is. We zijn namelijk beïnvloed door allerlei dingen die onze kijk op Christus beïnvloeden. Dat kunnen zelfs afbeeldingen van Christus zijn die we hebben gezien. We leven in een tijd waarin we zelfs films over Christus hebben gezien, en die verschillen behoorlijk van elkaar. Ga je naar ‘Jesus of Nazareth’ kijken, dan krijg je dit beeld van een soort katholieke Jezus. Ga je naar ‘The Jesus Movie’ kijken, gebaseerd op Lukas, dan zie je een veel innemender soort Jezus, die nog steeds betrekkelijk ernstig is. Ga je naar die nieuwe film kijken die op het Evangelie van Mattheüs is gebaseerd, dan lacht Jezus de hele tijd: de humoristische Jezus, de Toronto-Jezus, denk ik.

Ik zeg niet dat er in de uitbeeldingen van al die acteurs niets van Jezus zichtbaar is. Maar misschien hebben we daardoor een enigszins gekleurde kijk gekregen, meer dan we beseffen. De beelden van Jezus die bij ons opkomen, zijn tot op zekere hoogte afkomstig van afbeeldingen en misschien films die we hebben gezien. Maar onze kijk op Jezus wordt nog sterker gekleurd door de mensen die we in de christelijke gemeente als voorbeeld hebben. Dat gold natuurlijk ook voordat mensen Jezus in afbeeldingen en films probeerden uit te beelden. Hoe onze voorganger is, hoe degene is die ons tot de Heere heeft geleid, of hoe onze christelijke helden zijn. We zijn geneigd te denken dat de mensen die we in het christelijke leven het meest bewonderen, veel op Jezus lijken. Soms begint onze kijk op Jezus gekleurd te worden door ons begrip en onze kennis van bepaalde mensen van wie we vinden dat ze veel op Hem lijken. Natuurlijk is er waarschijnlijk ook gewoon heel veel verbeelding die ons beeld van Jezus kleurt.

We richten onze blik wel op Jezus, maar we zien Hem nog niet helder.

Jezus kennen tot we Hem werkelijk zien

Illustratie bij: Jezus leren kennen door de overlevering.

We zien als in een spiegel een vaag, enigszins wazig beeld. Niet omdat Hij niet de afstraling van de heerlijkheid van God is, maar omdat we Hem pas rechtstreeks zien wanneer Hij terugkomt. Maar we vangen wel een glimp van Hem op. We zijn niet helemaal zonder kennis van Hem. Zelfs het weinige dat we weten door alleen maar over Jezus in de Evangeliën te lezen, geeft een heerlijker beeld van de heerlijkheid van God, een zuiverder openbaring van Gods heerlijkheid en voortreffelijkheid dan de hele Wet gaf.

De evangeliën vertellen ons hoe Jezus was, maar laten ook veel onvermeld. We lezen in de evangeliën bijvoorbeeld nooit dat Jezus lachte, maar we zijn er vrij zeker van dat Hij soms gelachen moet hebben. Er zijn veel dingen aan Jezus die we niet in de evangeliën kunnen zien, eenvoudigweg omdat ze ons niet alles vertellen wat Hij deed en hoe Hij overal op reageerde. Maar wat we wel hebben, is misschien alsof we Hem zien door een spiegel, in een wazig beeld. Geen spiegelbeeld van onszelf, maar, zoals bij spiegels in die tijd, een beeld dat niet honderd procent scherp is. Toch is het genoeg om ons te veranderen. Het is in feite het aanschouwen van de heerlijkheid van de Heere in het Evangelie, in Jezus. En natuurlijk, zoals we eerder hebben aangegeven, zegt hij in 2 Korinthe 4:6 dat:

2 Korinthe 4:6

Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is ook Degene Die in onze harten geschenen heeft tot verlichting met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.

Ik heb Zijn letterlijke gezicht niet werkelijk gezien. Maar in zekere zin heb ik, doordat ik Jezus zie, door het weinige dat ik tot nu toe van Hem heb gezien, een beeld van Jezus en van de heerlijkheid van God in Jezus. Ik zie Hem in het leven van mensen die Zijn beeld dragen, en in de verslagen van de evangeliën, en in alles waarvan ik geloof dat de Heilige Geest aan mijn eigen hart heeft geopenbaard over hoe Jezus is. Op die verschillende manieren, sommige wat vaag, andere betrouwbaarder, heb ik een beeld van Hem.

Dat beeld zal worden verfijnd en aangescherpt en vervolmaakt wanneer ik Hem van aangezicht tot aangezicht zie. Er staat in 1 Johannes hoofdstuk 3:

1 Johannes 3:2

Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Maar wij weten dat, als Hij geopenbaard zal worden, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is.

Dat is 1 Johannes hoofdstuk 3, vers, naar ik meen, 2 en 3. Maar het punt is: welke tekortkomingen ons huidige beeld van Jezus ook mag hebben, we hebben wel degelijk enig beeld van Jezus. We zijn niet helemaal verstoken van de heerlijkheid van God die in Hem zichtbaar werd. We hebben beschrijvingen ervan van mensen die Hem hebben gezien. En we hebben er in zekere mate iets van gezien in anderen, en we hebben er zelfs iets van gezien door openbaring van de Heilige Geest in ons eigen hart.

En wanneer we elke belemmering van ons gezicht weghouden die onze bereidheid zou belemmeren om Jezus te zien zoals Hij is, houden we die bedekking van ons gezicht weg. Daaronder versta ik onze volkomen openheid, onze volkomen oprechtheid, onze volkomen liefde voor de waarheid. Dat we bereid zijn de waarheid voor ons te laten schijnen, zelfs als in het heldere licht van de waarheid onze eigen gebreken duidelijker zichtbaar worden. Toch verwelkomen we het licht. We houden de bedekking weg en blijven op Jezus zien. Terwijl we dat doen:

2 Korinthe 3:18

Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt .

Ik hoef geen commentaar te geven op dat gedeelte:

zoals de Geest van de Heer dat doet.

Metamorfose door de Geest

Illustratie bij: Verandering door vernieuwing van het denken.

Uit die uitspraak blijkt duidelijk en vanzelfsprekend dat het werk van verandering het werk van de Geest in ons is. Maar ik wil wel een paar dingen verduidelijken. Wat betekent het dat:

worden we veranderd naar datzelfde beeld?

Het woord dat hier met ‘veranderd’ is vertaald, is metamorphoo. Het is duidelijk de wortel van ons Engelse woord ‘metamorphosize’ of ‘metamorphosis’. En metamorfose betekent van vorm veranderen.

Een metamorfose vindt in de biologische wereld bijvoorbeeld plaats wanneer een rups een vlinder wordt. Dat wordt een metamorfose genoemd. Het dier verandert helemaal van vorm. Wanneer een kikkervisje een kikker wordt, wordt die volledige verandering van lichaamsvorm een metamorfose genoemd. Paulus gebruikt dit woord, als het ware ‘metamorfose’ of ‘een metamorfose ondergaan’, twee keer in zijn geschriften, en het komt ook twee keer in de evangeliën voor. Het woord is met andere woorden vier keer in het Nieuwe Testament te vinden. Twee keer in de evangeliën, één keer in Mattheüs en één keer in Markus, en het staat op parallelle plaatsen. Dus in wezen gaat het om één keer; het is alleen op twee parallelle plaatsen te vinden.

In Mattheüs 17 en in Markus 9 wordt het gebruikt waar over Christus staat dat:

Mattheüs 17:2

Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd op de berg van de verheerlijking, en Zijn gezicht straalde.

En ze zagen de heerlijkheid van Jezus op de berg. Het woord dat daar wordt gebruikt, in het oudere Engels vertaald als ‘transfigured’, is hetzelfde woord, metamorphoo, dat Paulus hier gebruikt. En de enige overige plaats in het Nieuwe Testament waar het te vinden is, is Romeinen 12:2, waar Paulus zegt:

Romeinen 12:2

En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.

Het woord ‘veranderd’ is hetzelfde woord, metamorphoo.

Dit zijn dus de enige manieren waarop dat woord in de Schrift wordt gebruikt. Allereerst verwijst het naar hoe Jezus op de berg van de verheerlijking werd veranderd. Hij werd van gedaante veranderd. Zijn heerlijkheid werd zichtbaar voor de ogen van de discipelen die toekeken. Dat is de ene betekenis waarin het wordt gebruikt. Vervolgens wordt het twee keer voor christenen gebruikt. In Romeinen 12:2 staat dat we een totale verandering ondergaan doordat ons denken wordt vernieuwd. Dat gaat ongetwijfeld over het proces van heiliging. Naarmate we de wegen van God leren kennen en ze meer omarmen en ze ons eigen worden, gaan onze waarden en onze houdingen en onze overtuigingen — de manier waarop we denken — meer op Christus lijken. Het is een verandering die de Geest in ons leven bewerkt.

Veranderen naar het beeld van Christus

Illustratie bij: Veranderen naar het beeld van Christus.

Hier gebruikt Paulus hetzelfde woord om te zeggen dat wij een metamorfose ondergaan. Waarin? Als iemand een rups vertelde dat hij een metamorfose zou ondergaan, zou hij misschien niet weten of hij dat wel wil. ‘Dat hangt ervan af hoe ik er daarna uit ga zien. Waarin word ik veranderd?’

Als ik zou zeggen: ‘Zou je graag van omgeving willen veranderen? Zou je graag naar een ander huis willen verhuizen? Zou je je kleren willen inruilen voor andere?’ Dan zou je waarschijnlijk zeggen: ‘Nou, wat voor kleren ga je me geven? Wat voor huis ga ik betrekken? Over wat voor veranderingen hebben we het? Wil ik een metamorfose ondergaan? Nou, ik ben niet helemaal tevreden met hoe het nu is, maar ik weet niet zeker wat je me aanbiedt.’

Nou, Paulus zegt dat dit is wat ons wordt aangeboden.

2 Korinthe 3:18

Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt .

Welk beeld?

Het beeld van Christus, de gelijkenis van Christus. Wat de heerlijkheid van het nieuwe verbond dus doet, is niet alleen Christus openbaren, maar ons ook met Christus aansteken. Zijn voortreffelijkheid, Zijn karakter, hoe wonderbaar Hij is, Zijn heerlijkheid — daarin worden wij veranderd. Zijn karakter wordt het onze, en wij gaan meer op Hem lijken.

Paulus zegt dat dit een verandering is:

van heerlijkheid naar heerlijkheid.

Die uitdrukking is heel kenmerkend voor Paulus. Hij gebruikt dat soort uitdrukkingen:

van geloof naar geloof, en dat soort dingen, of:

van dood naar dood en:

van leven naar leven.

Nu zegt hij:

van heerlijkheid naar heerlijkheid.

Veel mensen vatten dit eenvoudig op als: van het ene niveau of de ene mate van heerlijkheid naar een ander niveau of een andere mate van heerlijkheid. Dat wil zeggen: ik heb nu een bepaalde mate van gelijkenis met Christus bereikt. Dat is een niveau van heerlijkheid, en later zal ik een hogere mate hebben. Het is alsof je verschillende plateaus of verschillende graden van heerlijkheid bereikt, van het ene niveau naar het andere, van de ene graad naar de andere. Dat is mogelijk.

Sommigen hebben gedacht dat het betekent dat de heerlijkheid van God naar mij overgaat. Het is dus van Gods heerlijkheid naar, als het ware, mijn heerlijkheid, of de heerlijkheid die in mijn karakter de mijne wordt. Sommigen hebben gemeend dat het betekent dat je de heerlijkheid van het oude verbond achter je laat en overgaat naar de heerlijkheid van het nieuwe verbond.

Het is niet helemaal duidelijk wat Paulus bedoelt met deze uitdrukking:

van heerlijkheid naar heerlijkheid, Maar één ding is duidelijk: wat hij beschrijft, is een verandering naar het beeld van Christus doordat we onze ogen op Jezus gericht houden en ervoor zorgen dat de sluier tussen ons en Christus weg blijft. Zo kijken we zonder terug te deinzen naar wat Hij is. En dat brengt verandering in ons leven. Paulus gaat hier in hoofdstuk 4 verder op in, maar wij gaan er in de volgende bijeenkomst mee verder.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als 2 Corinthians 3. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.

Hoe wil je deze lezing volgen?

Je kunt deze keuze altijd wijzigen in de speler.

We onthouden je voorkeur op dit apparaat.

De lezing wordt geladen…

Beeld en tekst laden…