Johannes 7:1-31
In het geheim naar het feest, en verdeeldheid in Jeruzalem
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/johannes/7-1-31.pdf. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/johannes/7-1-31.
Samenvatting
Steve Gregg bespreekt hoe Jezus naar het Loofhuttenfeest gaat, ondanks het ongeloof van Zijn broers en de dreiging van de Joodse leiders. Hij legt uit dat Jezus Zijn onderwijs rechtstreeks van de Vader ontvangt en dat wie Gods wil wil doen, zal herkennen dat het van God komt. Vervolgens behandelt hij Jezus’ verdediging van de genezing op de sabbat en Zijn oproep om niet naar de uiterlijke schijn, maar rechtvaardig te oordelen. Ten slotte laat hij zien hoe de meningen over Jezus uiteenlopen en waarom Zijn tekenen sommigen tot geloof brengen, terwijl anderen het beschikbare bewijs verwerpen.
Achtergrond: waarom de Joden Jezus doden wilden #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Johannes 7, vers 1 tot en met vers 31.
Laten we Johannes 7 openslaan.
En hierna trok Jezus rond in Galilea, want Hij wilde niet in Judea rondtrekken, omdat de Joden Hem probeerden te doden.
Het laatste verhaal dat we in hoofdstuk 6 lazen, speelde zich af in Galilea, maar dat geldt niet voor veel van de verhalen in Johannes. Johannes richt zich voornamelijk op de dingen die Jezus in Judea deed. Het is nogal ongebruikelijk dat hij veel informatie geeft over dingen die Jezus in Galilea deed, vooral over dingen die al in de andere drie Evangeliën zijn opgetekend. Er is namelijk maar heel weinig overlap tussen het Evangelie van Johannes en de andere drie. Toch heeft hij ons in hoofdstuk 6 dit verhaal over de spijziging van de vijfduizend verteld. Ongetwijfeld deed hij dat om het toneel klaar te zetten voor de uiteenzetting over het brood des levens. Die nam in dat hoofdstuk veel meer tijd in beslag dan het vertellen van dit wonder. Dat vond plaats in Galilea.
Johannes vertelt ons dat Jezus een tijdlang in Galilea bleef. Hoofdstuk 6 speelde zich rond het Pascha af, en nu zullen we in vers 2 zien dat het Loofhuttenfeest van de Joden nabij was. Dat is precies zes maanden na het Pascha en precies zes maanden vóór het Pascha. Het valt precies midden tussen het ene Pascha en het volgende. Het Pascha viel op de vijftiende dag van de eerste maand van de Joodse kalender, en het Loofhuttenfeest op de vijftiende dag van de zevende maand. Er liggen dus in beide richtingen precies zes maanden tussen deze feesten. Omdat Jezus tijdens het Pascha hierna zou sterven, komen we nu op een tijdstip dat slechts zes maanden vóór Zijn dood en zes maanden na de spijziging van de vijfduizend ligt.
Gedurende die zes maanden bleef Hij uit Judea weg, omdat de Joden Hem probeerden te doden. Met ‘de Joden’ zouden hier de Judeeërs worden bedoeld. Hijzelf was natuurlijk een Jood, en Zijn discipelen waren dat ook. Niet alle Joodse mensen probeerden Hem te doden, maar ‘de Joden’ worden in deze context tegenover de Galileeërs gesteld. Jezus en Zijn discipelen waren Galilese Joden, maar de Judeeërs stonden veel meer onder het gezag van het Sanhedrin, de overpriesters en de Farizeeën. Die waren vijanden van Jezus en waren moordlustig genoeg om Hem te willen doden.
De broers van Jezus dagen Hem uit #
Dat zij Hem wilden doden, werd al in hoofdstuk 5 gezegd. Dat was blijkbaar de laatste keer dat Hij in Jeruzalem was geweest vóór het tijdstip waarover we nu gaan lezen. In vers 18 van hoofdstuk 5 lezen we:
Daarom dan probeerden de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen het gebod van de sabbat brak, maar ook zei dat God Zijn eigen Vader was, en daarmee Zichzelf aan God gelijkmaakte.
De vermeende schending van de sabbat en wat hun godslastering leek, hadden hen doen besluiten dat Hij moest sterven. Hij had dingen gedaan die de dood waard waren. In het Oude Testament werd iemand inderdaad ter dood gebracht wegens het breken van de sabbat en wegens godslastering. In zekere zin hadden zij de wet aan hun kant, als de aanklachten bewezen konden worden.
Natuurlijk kon Jezus alleen werkelijk van het breken van de sabbat beschuldigd worden als Hij in feite niet de Heere van de sabbat was, zoals Hij zei dat Hij was. Als Hij de Heere van de sabbat was, dan was het in wezen aan Hem hoe Hij de sabbat onderhield. Als God werkelijk Zijn Vader was, dan zou de beschuldiging van godslastering niet standhouden. Zij beschuldigden Hem er namelijk van dat Hij zei dat God Zijn Vader was. Dat is geen godslastering als het waar is. Maar als deze beschuldigingen waar waren en bewezen konden worden, dan zou daarop de doodstraf staan.
De Judeeërs vonden Hem bijzonder lastig, omdat Hij nooit vleiende dingen over hen zei, maar gewoonlijk heel harde dingen. Zij zagen Hem als iemand die hun machtsbasis ondermijnde, en daarom wilden zij Hem doden.
Vers 2 van hoofdstuk 7 zegt:
2En het feest van de Joden, het Loofhuttenfeest, was aanstaande. 3Zijn broers dan zeiden tegen Hem: Vertrek vanhier en ga weg naar Judea, zodat ook Uw discipelen de werken die U doet kunnen zien. 4Want niemand doet iets in het verborgene, en streeft er tegelijk zelf naar dat men openlijk over hem spreekt. Als U deze dingen doet, maak Uzelf dan openbaar aan de wereld. 5Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem.
Het is niet helemaal duidelijk wat zij dachten. Misschien dachten ze dat Jezus een volksopstand tegen Rome wilde beginnen, zoals de meeste Joden hoopten dat de Messias zou doen. In dat geval zeiden ze dus: ‘Zo schiet je niet erg op. Je hebt geen leger op de been gebracht. Je hebt niet veel gedaan. Dit is een goede gelegenheid. Ga voor het feest naar Jeruzalem. Daar zullen veel Joodse pelgrims uit de hele wereld zijn. Je kunt daar Je werken doen en veel steun onder het volk verwerven. Dan kun Je dat militiegedoe van Je doen. Dan kun Je dat oorlog-tegen-Romegedoe van Je doen.’ Als dat zo was, dreven ze blijkbaar de spot met Hem.
Wie is werkelijk Jezus' familie? (Markus 3) #
Het is ook mogelijk dat ze er zelfs aan twijfelden of Hij wel wonderen deed. Ze zeiden:
Als U zulke dingen doet, waarom laat U dat dan niet openlijk zien?
Bedenk dat deze broers van Hem in Galilea woonden, en dan met name in Nazareth. Jezus deed in heel Galilea wonderen, maar niet in Nazareth, althans niets bijzonder indrukwekkends. Hij was twee keer naar Nazareth gegaan. De eerste keer preekte Hij daar in de synagoge. Hij vertelde hun dat ze ongetwijfeld zouden willen dat Hij bij hen wonderen deed, zoals Hij die in Kapernaüm en andere plaatsen had gedaan. Maar Hij zei:
want Jezus heeft Zelf getuigd dat een profeet in zijn eigen vaderstad geen eer ontvangt.
En hun gebrek aan geloof verhinderde Hem om veel onder hen te doen. Dus hoewel Jezus wonderen deed, hadden Zijn broers er heel goed nog nooit een gezien. Zij woonden namelijk in Nazareth, en dat is nu juist een plaats waar Hij ze niet deed. Blijkbaar was Hij later tijdens Zijn bediening nog een tweede keer daarheen gegaan, en toen was er hetzelfde probleem. Hij deed daar niet veel machtige werken, omdat Hij Zich verwonderde over hun gebrek aan geloof. Zijn broers, de mensen uit Zijn woonplaats en Zijn familie leken niet in Hem te geloven.
En Maria dan? Zij zou beslist geen gebrek aan geloof moeten hebben. Toch lezen we in Markus 3 dat zelfs zij momenten van twijfel lijkt te hebben gekend. Misschien ontbrak het haar niet aan geloof, maar ze vroeg zich op zijn minst af of Jezus werkelijk op de goede weg was. In Markus 3, vers 20 en 21, staat:
20En zij kwamen thuis; en er kwam opnieuw een menigte bijeen, zodat zij zelfs geen brood konden eten. 21En toen Zijn verwanten dat hoorden, gingen zij eropuit om Hem tegen te houden, want zij zeiden: Hij is buiten Zichzelf.
Dat wil zeggen dat Jezus en de discipelen het zo druk hadden met hun bediening dat ze geen tijd hadden om te eten.
Dat wil zeggen: Zijn eigen familie en verwanten.
Hij ging volledig op in Zijn missie. Hij wilde niet eens eten. Het lijkt er dus op dat Zijn verwanten zeiden dat Hij Zijn verstand had verloren.
Welke verwanten? Een paar verzen later geeft Jezus onderwijs in een huis vol mensen, en vers 31 zegt:
Nu kwamen dan Zijn broers en Zijn moeder; en terwijl zij buiten stonden, stuurden zij iemand naar Hem toe om Hem te roepen.
Dit zijn blijkbaar de verwanten die in vers 21 hadden besloten dat ze Hem maar beter konden gaan ophalen, omdat Hij Zijn verstand had verloren. Zijn moeder en broers komen opdagen en roepen Hem. Ze kunnen niet bij Hem komen, omdat de menigte om Hem heen staat, dus sturen ze Hem een boodschap.
Op dit punt lijkt Hij Zijn familie bijna te verstoten en te zeggen:
34En terwijl Hij rondom Zich keek naar hen die om Hem heen zaten, zei Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders; 35want wie de wil van God doet, die is Mijn broeder en Mijn zuster en Mijn moeder.
De broers van Jezus komen later tot geloof #
Daarmee wordt geïmpliceerd dat Zijn moeder en broers die buiten staan, niet de wil van Zijn Vader doen. Daarom erkent Hij hen niet méér als Zijn familie dan de mensen die om Hem heen zitten.
Natuurlijk zouden degenen die menen dat Maria niet kon zondigen, mogelijk zeggen dat zij niet een van degenen was die dachten dat Hij Zijn verstand had verloren. Ze was bezorgd om Hem en wilde ervoor zorgen dat Hij wat rust en ontspanning kreeg. Daarom zondigde ze niet echt. Zijn uitspraak lijkt te impliceren dat de mensen die buiten naar Hem vroegen, en die Zijn biologische familie waren, niet de wil van Zijn Vader deden. Hij zei:
Deze mensen om Mij heen, die de wil van Mijn Vader doen, zijn Mijn moeder, broer en zus.
Met andere woorden, Hij zegt op zijn minst dat iedereen die gelooft net zozeer een familielid van Hem is als Zijn moeder. Hij plaatste Zijn moeder beslist niet boven alle heiligen of heel dicht bij Zijn eigen niveau. Hij plaatste alle heiligen op haar niveau wanneer zij de wil van de Vader doet. Wanneer ze dat niet doet, staat ze onder dat niveau. Hij erkent namelijk alleen degenen die de wil van Zijn Vader doen als Zijn familie.
Hier zien we Zijn broers opnieuw. Er wordt rechtstreeks gezegd dat ze niet in Hem geloven. Het vervolg is dat ze later wel in Hem geloofden. In Handelingen 1 vinden we de opsomming van de twaalf apostelen en anderen die vóór de dag van Pinksteren bij de honderdtwintig in de bovenzaal waren. Er staat:
Jezus: 'Mijn tijd is nog niet gekomen' #
Daar waren ook Maria, de moeder van Jezus, en Zijn broers aanwezig.
Na de opstanding waren ze gelovigen geworden.
Hoe? In 1 Korinthe 15 vertelt Paulus ons iets wat nergens anders in de hele Bijbel wordt verteld:
Na Zijn opstanding verscheen Jezus aan Petrus en anderen, en daarna verscheen Hij ook aan Jakobus.
Jakobus, die blijkbaar de oudste broer was, zag Hem dus nadat Hij was opgestaan, kwam tot geloof en wist de jongere broers ervan te overtuigen dat het waar was.
We zien dus dat de broers van Jezus niet alleen gelovigen werden, maar in bepaalde opzichten ook leiding gingen geven in de gemeente. Het was niet de hoogste leiding; die rol werd door de apostelen vervuld. Maar Jakobus, de broer van Jezus, bekleedde de positie van leider van de gemeente in Jeruzalem nadat de twaalf verspreid waren geraakt. Hij schreef ook het boek Jakobus. Judas, een andere broer van Jezus, schreef het boek Judas. Deze broers, die Hem bespotten en niet in Hem geloofden, schreven later dus Schrift. Het is mooi om zo’n ommekeer te zien.
Ze zeiden tegen Hem:
3Zijn broers dan zeiden tegen Hem: Vertrek vanhier en ga weg naar Judea, zodat ook Uw discipelen de werken die U doet kunnen zien. 4Want niemand doet iets in het verborgene, en streeft er tegelijk zelf naar dat men openlijk over hem spreekt. Als U deze dingen doet, maak Uzelf dan openbaar aan de wereld.
In hoofdstuk 2 staat dat er veel mensen waren die in Hem geloofden, maar Hij vertrouwde Zich niet aan hen toe, omdat Hij wist wat er in de mens was. Hij zou Zijn missie beslist niet aan de zorg van deze broers toevertrouwen, die niet in Hem geloofden. Hij zei tegen hen:
Ging Jezus toch naar het feest? Een tekstkwestie #
Jezus dan zei tegen hen: Mijn tijd is nog niet aangebroken, maar uw tijd is er altijd.
Wat Hij daarmee bedoelt, is: ‘Ik handel niet uit Mijn eigen wil. Ik moet in beweging komen wanneer Mijn Vader Mij zegt dat Ik moet gaan. Jullie kunnen doen wat jullie maar willen, omdat jullie je Vader niet volgen. Jullie kunnen altijd zelf over je tijd beschikken. Jullie kunnen gaan wanneer jullie maar willen. Maar het is voor Mij nu niet de tijd om daarheen te gaan. En dus kan Ik niet gaan omdat jullie het voorstellen, maar jullie kunnen wel gaan.’
Hij zei:
De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken slecht zijn.
Ze zeiden Hem dat Hij moest gaan en Zichzelf aan de wereld moest laten zien. Dat is wat ze in vers 4 zeiden:
2En het feest van de Joden, het Loofhuttenfeest, was aanstaande. 3Zijn broers dan zeiden tegen Hem: Vertrek vanhier en ga weg naar Judea, zodat ook Uw discipelen de werken die U doet kunnen zien. 4Want niemand doet iets in het verborgene, en streeft er tegelijk zelf naar dat men openlijk over hem spreekt. Als U deze dingen doet, maak Uzelf dan openbaar aan de wereld. 5Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem.
‘Je wilt dat de wereld Je gaat volgen. Je wilt een grote groep volgelingen krijgen. Laat Jezelf aan de wereld zien.’ Hij zegt: ‘De wereld haat Mij. Jullie kunnen gaan wanneer jullie maar willen, omdat de wereld jullie niet haat. Jullie vertellen de mensen niet wat ze niet willen horen. Jullie passen er gewoon helemaal bij. Jullie maken zelfs deel uit van de wereld. Maar Ik maak geen deel uit van de wereld. Ik getuig tegen de wereld, en daarom haten ze Mij. Dus Ik ga Mijzelf niet aan de wereld laten zien en ervoor zorgen dat Ik voortijdig word gedood.’
Hij zegt:
Gaat u naar dit feest; Ik ga nog niet naar dit feest, want Mijn tijd is nog niet vervuld.
De King James en de New King James hebben het woord ‘yet’, oftewel ‘nog’: ‘nog niet’. In veel handschriften staat: ‘Ik ga niet.’ Sommige mensen vinden dat problematisch, omdat de meeste moderne vertalingen het zo weergeven. Ze volgen daarin de andere Griekse handschriften, waarin Hij alleen zegt: ‘Ik ga niet naar dit feest.’ Toch lezen we in vers 10:
Het Loofhuttenfeest: achtergrond en betekenis #
Maar toen Zijn broers naar het feest gegaan waren, toen ging Hij ook Zelf naar het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.
Als je een vertaling leest waarin staat: ‘Ik ga niet naar dit feest’, en er vervolgens staat dat Hij in het geheim naar het feest ging toen zij vertrokken waren, dan klinkt het alsof Hij tegen hen loog. Het klinkt alsof Hij zei: ‘Gaan jullie maar. Ik blijf thuis.’ En zodra ze de eerste hoek om waren gegaan, ging Hij toch stiekem achter hen aan. Dan zou Hij hen dus bedrogen hebben.
Maar dat hoeft niet zo te zijn. Er is bijna evenveel bewijs in de handschriften voor het wel opnemen als voor het niet opnemen van het woord ‘yet’. ‘Ik ga nog niet’ zou betekenen: niet op dit moment. ‘Gaan jullie maar alvast wanneer jullie willen. Het is Mijn tijd nog niet. Mijn tijd is nog niet aangebroken. Wanneer die komt, zal Ik gaan, maar nu nog niet.’
Dat zou er zelfs in besloten kunnen liggen als het woord ‘yet’ er niet staat, want de zin staat in de tegenwoordige tijd. De Engelse woorden ‘I am not going’ betekenen dat Hij op dat moment niet gaat. Deze formulering staat in de tegenwoordige tijd. Hij gebruikte niet de Engelse toekomstconstructie ‘I am not going to go’, oftewel: ‘Ik zal niet gaan.’ Hij zegt: ‘Ik ga op dit moment niet. Dat is nu niet wat er gebeurt.’ Hij loog dus niet werkelijk. Hij zei alleen maar: ‘Jullie gaan maar vooruit. Ik ga wanneer het Mijn tijd is, en niet eerder.’ Dat is alles wat Hij zegt.
We weten niet hoeveel tijd er verstreek nadat zij vertrokken waren. Het verslag springt vooruit naar het moment waarop Hij vervolgens vertrok. Maar Hij ging stilletjes en liet Zich niet aan de wereld zien zoals zij hadden voorgesteld. Hij ging erheen en zou Zich ongeveer halverwege het feest in het openbaar laten zien.
Het Loofhuttenfeest duurde acht dagen. Tijdens dit feest moesten de Israëlieten, waar ze ook woonden, op pelgrimstocht naar Jeruzalem gaan en daar een week lang kamperen. Tijdens dit specifieke feest kampeerden ze op straat. Daarom werd het het feest van de tabernakels of de loofhutten genoemd: Sukkoth. Sukkoth betekent in het Hebreeuws loofhutten of tabernakels.
Een tabernakel is een tijdelijk bouwwerk, zoals de tabernakel die de Joden als verplaatsbaar bouwwerk door de woestijn meenamen. Een tabernakel is in wezen een tent, hoewel ze in veel gevallen geen tenten meenamen naar Jeruzalem. Ze maakten loofhutten van takken en soortgelijke materialen. Het was een kampeerpartij. Voor de kinderen was het werkelijk een leuke tijd. Joodse kinderen hielden van Sukkoth, omdat ze met hun familie in Jeruzalem konden kamperen.
Ze deden dit ter herdenking van de jaren waarin hun voorouders tussen Egypte en het Beloofde Land rondgetrokken hadden. De veertig jaar waarin ze door de woestijn rondtrokken, werden elk jaar herdacht met het Loofhuttenfeest.
Het viel ook samen met de oogst van het fruit. Het graan werd eerder geoogst, in het late voorjaar en de vroege zomer. Maar Sukkoth vond aan het einde van de zomer plaats, in de vroege herfst. Dat was het moment waarop het fruit rijp werd en geoogst werd, vooral de druiven en vijgen, de voornaamste producten van Israël. Zo werd Sukkoth ook een viering van de oogst.
Oogstfeesten zijn in de meeste samenlevingen heel feestelijke gebeurtenissen, omdat vrijwel alle samenlevingen tot in de moderne tijd agrarisch waren. De mensen werkten het hele jaar om hun voedselvoorraad voor het volgende jaar binnen te halen, en ze zagen die gewassen groeien. Totdat alles rijp was, wisten ze niet zeker wat er zou gebeuren. Ze wisten niet of de sprinkhanen het zouden opeten of dat er een droogte zou komen. Maar wanneer aan het einde van het seizoen alles rijp was en ze het oogstten, konden ze opgelucht ademhalen. Al hun werk van dat jaar was niet voor niets geweest. Hun voedselvoorraad voor het volgende jaar lag opgeslagen. Ze konden zeggen: ‘We zijn in wezen klaar met het werk van dit jaar. Laten we wat vrij nemen en feestvieren.’
Verdeeldheid onder het volk: goed of verleider? #
Daarom hielden ze die feesten. Dat was wat het Pascha was. Ook dat was een oogstfeest, al draaide het minder om de oogst. De eerstelingen van de gerst werden tijdens het Pascha als beweegoffer aangeboden, maar pas met Pinksteren werd de graanoogst binnengehaald. En tijdens het Loofhuttenfeest werd de fruitoogst binnengehaald. Daarom werd het soms het Feest van de Inzameling genoemd. Het duurde acht dagen, en aan het Loofhuttenfeest waren bepaalde ceremoniën verbonden waarop we later zullen zinspelen, omdat Jezus er op een bepaalde, enigszins vage manier naar lijkt te verwijzen.
Maar Hij ging inderdaad naar Jeruzalem. Er staat dat Hij, nadat Zijn broers vertrokken waren, ook naar het feest ging. Dit was kennelijk de laatste keer dat Hij Galilea zag, waar Hij was opgegroeid. Het was zes maanden voor Zijn dood, maar we hebben geen vermelding dat Hij hierna nog naar Galilea terugging. In plaats van naar Galilea terug te gaan, ging Hij naar Transjordanië, een gebied dat Josephus Perea noemde en dat geleerden daarom soms ook Perea noemen. Daar verrichtte Hij enig dienstwerk en hield Hij Zich grotendeels verborgen, om te voorkomen dat Hij voortijdig gearresteerd zou worden. Omstreeks het midden van het feest verscheen Hij vervolgens in Jeruzalem.
Nu krijgen we enige informatie over wat er in die tijd op straat over Jezus werd gezegd. Jezus was in Jeruzalem zeer omstreden geworden, en zelfs de mensen op straat wisten voor het grootste deel wie Hij was en dat Hij omstreden was. Ze wisten zelfs dat de leiders van Israël de mensen hadden gezegd niet over Hem te praten. Daarom praatten de mensen zachtjes over Hem, binnensmonds. Ze spraken er niet openlijk over. Er staat dat ze bang waren om dat te doen.
Maar we zien dat de meningen over Hem verdeeld waren. Wat dit hoofdstuk misschien wel duidelijker maakt dan vrijwel elk ander hoofdstuk, is hoeveel verschillende meningen er bestonden en hoe verward de mensen over Hem waren. In vers 43 wordt ons verteld dat er vanwege Hem verdeeldheid onder de mensen ontstond. Wanneer we het hoofdstuk doorlezen, kunnen we een aantal manieren zien waarop ze verdeeld raakten door de verschillende meningen die ze over Hem hadden. Hoewel de mensen niet echt openlijk over Hem mochten of konden praten, ging al het geroezemoes op straat over Hem.
We moeten bedenken dat dit een feest was waarvoor ook mensen van buiten het gebied naar Jeruzalem kwamen. Het waren niet alleen de plaatselijke bewoners, maar ook mensen uit andere landen. Joden uit de hele wereld kwamen voor het Loofhuttenfeest op pelgrimsreis naar Jeruzalem. Dus niet iedereen in de stad wist even goed wie deze man was over wie gesproken werd. Je zult merken dat deze mensen sterk verschilden in wat ze wel en niet wisten. Dat hing er ongetwijfeld mee samen of ze plaatselijke bewoners waren of niet.
Valse profeten en schijnwonderen #
De plaatselijke bewoners leken te weten dat de overpriesters en Farizeeën bekend hadden laten maken dat de mensen niet in Hem moesten geloven, dat ze Hem moesten aangeven als ze Hem zagen en dat er een prijs op Zijn hoofd stond. Maar er waren ook mensen van buiten het gebied die niet eens wisten wie Hij was, omdat ze in andere landen woonden en voor het eerst over Hem hoorden.
De Joden zochten Hem dus tijdens het feest en zeiden:
Waar is Hij?
En onder de mensen werd veel over Hem gemompeld. Sommigen zeiden:
Hij is goed.
Anderen zeiden:
En er was veel gemompel over Hem onder de menigten. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Nee, maar Hij misleidt de menigte.
Dit is de belangrijkste verdeeldheid die er onder de mensen over Hem bestond. Sommigen mochten Hem en anderen niet. Sommigen dachten dat Hij goed was. Hij leek beslist een goed mens: Hij trok rond, genas mensen, gaf mensen te eten, wekte doden op, enzovoort. Hij leek goed. Maar anderen zeiden: ‘Nee, Hij is een misleider.’
Natuurlijk is het altijd mogelijk dat iemand goede daden verricht met een bedrieglijk doel. We weten dat mensen ook in andere godsdiensten dan het christendom goede daden verrichten, waaronder sommige daden die soms wonderbaarlijk lijken. Misschien worden er van tijd tot tijd zelfs wonderen verricht in andere godsdiensten. Ze beweren in elk geval dat dit gebeurt. Maar dat betekent niet dat die mensen je niet misleiden. De duivel zelf kan misleiden.
Mensen zeggen soms dat als je naar Manilla gaat en een van die Filipijnse paranormale genezers bezoekt, die genezer in je lichaam grijpt, kankerweefsel verwijdert en zijn hand weer terugtrekt. Er is geen wond te zien, maar ze houden een kankergezwel vast dat ze uit je zij hebben gehaald. Zulke dingen gebeuren daar. Of het is bedrog, zoals de meeste sceptici aannemen, of het is demonisch.
Iemand zou kunnen zeggen: ‘Hoe weet je dat het niet God is?’ Dat komt doordat ze occulte kunsten beoefenen. Hoewel God die mensen natuurlijk kan gebruiken, steunt Hij hen niet. Daarom zou iemand kunnen zeggen: ‘Waarom zou de duivel mensen genezen? Is de duivel niet kwaadaardig? Waarom zou de duivel mensen genezen van kanker en zulke dingen? Dat klinkt als het werk van God.’
Jezus onderwijst in de tempel over Zijn leer #
Het is Gods rechtmatige werk om zulke dingen te doen. Maar de duivel is een bedrieger, en hij zal waarschijnlijk niet veel volgelingen krijgen als hij alleen maar dingen doet die mensen niet prettig vinden. Om mensen binnen te halen, kan het nodig blijken daden te verrichten die er goed uitzien. Zo kan hij mensen misleiden en ertoe brengen zijn beweging te volgen.
Dus ze dachten dat Jezus misschien zo iemand was. Mozes had tenslotte in Deuteronomium 13, vers 1 tot en met 3, gezegd:
1Als in uw midden een profeet opstaat of iemand die dromen heeft, en u een teken of wonder geeft, 2en dat teken of dat wonder waarvan hij tot u gesproken had, komt en hij zegt: Laten we achter andere goden aan gaan, die u niet kent, en laten we die dienen, 3luister dan niet naar de woorden van die profeet of naar hem die die dromen heeft! Want de HEERE, uw God, stelt u dan op de proef om te weten of u de HEERE, uw God, liefhebt met heel uw hart en met heel uw ziel.
Mozes zei dus dat er valse profeten konden komen die echte tekenen zouden geven, tekenen die werkelijk uitkwamen. Maar als hun boodschap luidde:
Laten we andere goden gaan aanbidden, dan waren het bedriegers en moest je hen niet volgen. De Farizeeën en andere religieuze leiders hadden beslist de neiging om te denken dat Jezus de mensen wegleidde van de zuivere godsdienst van het jodendom. In hun ogen leek Hij namelijk de sabbat te overtreden. In hun ogen leek Hij God te lasteren. In hun ogen leek Hij het gezag van Mozes te ondermijnen. Daarom konden ze Zijn tekenen en wonderen opvatten als die van een valse profeet die een teken of wonder geeft om je van God weg te leiden.
Sommigen vatten Zijn wonderen en Zijn onderwijs op als goede dingen, waaruit bleek dat Hij een goed mens was. Anderen dachten: „Nee, dit is gewoon bedrog. Het is een zorgvuldig uitgewerkt bedrog.” Maar vers 13 zegt:
Toch sprak niemand openlijk over Hem, uit vrees voor de Joden.
Omstreeks het midden van het feest ging Jezus de tempel binnen en gaf er onderwijs. Dus uiteindelijk komt Hij tevoorschijn, treedt naar buiten en geeft onderwijs in de tempel. Rabbijnen deden dit. De buitenste voorhof van de tempel had verschillende plaatsen, een soort kramen. Die werden standplaatsen genoemd. Daar kon een rabbijn gaan zitten, waarna discipelen, of iedereen die nieuwsgierig was, zich om hem heen konden verzamelen en hij daar onderwijs kon geven. Waarschijnlijk was Jezus in zo’n situatie terechtgekomen toen Hij twaalf jaar oud was en Zijn ouders Hem aantroffen terwijl Hij met de leraren van de wet over de wet sprak. Waarschijnlijk vond daar zo’n soort gesprek plaats.
Jezus gaat nu als volwassene in de tempel zitten. We zien zelfs dat Hij dit elke keer deed wanneer Hij in Jeruzalem was. Hij maakte gebruik van de tempel als plaats om in het openbaar onderwijs te geven, en waarschijnlijk ook om wonderen te doen. Dus Hij zat in de tempel en gaf onderwijs. En de Joden verwonderden zich en zeiden:
En de Joden verwonderden zich en zeiden: Hoe kent Hij de Schriften zonder daarin onderwezen te zijn?
Ze vragen niet hoe het komt dat Hij kan lezen en schrijven. Onder de Joden was geletterdheid niet ongewoon. Bijna alle Joodse jongens kregen minstens het equivalent van wat wij onderwijs tot en met groep acht of misschien de tweede klas van de middelbare school zouden noemen. Alle Joodse jongens gingen naar de synagoge, tenzij er een bepaalde reden was waarom ze dat niet konden. Daar leerden ze lezen en schrijven en de Schrift uit het hoofd. Dus hun verwondering ging niet over Zijn kennis van de Schrift of Zijn vermogen om te lezen en te schrijven. Dat was niet zo ongewoon.
Wie Gods wil doet, herkent Zijn onderwijs #
Waar ze het over hebben met de woorden:
Hoe kan deze Man de Schrift kennen als Hij nooit onderwijs heeft gehad?
is de geschriften van Mozes en natuurlijk de uitleg daarvan die de rabbijnen gaven. Als iemand een leraar in Israël was, had hij gewoonlijk onderwijs gevolgd bij een andere leraar. Hij was door iemand tot discipel gemaakt of was de protegé van een mentor geweest. Saulus van Tarsus was bijvoorbeeld, voordat hij christen werd, de protegé van Gamaliël, een rabbijn.
Maar Jezus had nooit bij een rabbijn onderwijs gevolgd. Hij verscheen eenvoudigweg en had dingen te zeggen die iedereen als behoorlijk diepgaand herkende. Ze verwonderden zich en zeiden: „Waar heeft Hij dit geleerd? Hoe weet Hij deze dingen?”
Jezus antwoordde hun en zei:
Jezus antwoordde hun en zei: Mijn onderricht is niet van Mij, maar van Hem Die Mij gezonden heeft.
Het woord doctrine betekent trouwens gewoon onderwijs. De King James en de New King James gebruiken het woord doctrine. Een moderne vertaling zou misschien gewoon het woord teaching gebruiken.
Dat is een antwoord op de vraag die ze mompelend stelden: „Hoe weet Hij hoe Hij dit moet doen?” Wel, eerlijk gezegd: „Ik weet het niet. Mijn Vader weet het. Ik onderwijs wat Mijn Vader Mij vertelt, wat Mijn Vader aan Mij openbaart. Het is niet wat een rabbijn Mij heeft geleerd. Het is wat God Mij heeft geleerd.” Hij is door God opgeleid. Hij geeft hier aan dat Zijn onderwijs even betrouwbaar is als Gods eigen woorden.
Eigen eer zoeken versus de eer van God #
Als iemand daar sceptisch over is, zegt Hij in vers 17:
Als iemand de wil heeft om Zijn wil te doen, zal hij van dit onderricht weten of het uit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek.
Hij beweerde dat Zijn onderwijs niet van mensen kwam, maar van God. Hij zegt: „Je kunt daaraan twijfelen, maar je kunt het weten. En je zult het weten als je tot die weinigen behoort die de wil van God willen doen. Dan zal Hij het je laten weten. Je zult onderscheiden dat Mijn onderwijs van God komt.”
Dat onderscheidingsvermogen ten aanzien van de woorden van God komt dus niet zozeer voort uit een theologische opleiding of uit geleerdheid. Het komt voort uit een hart dat God gehoorzaamt, en zulke harten waren er destijds niet zoveel in Israël. Er was een overblijfsel, en dat overblijfsel hoorde en begreep Hem en wist dat Hij namens God sprak.
Later, in hoofdstuk 10, brengt Hij hetzelfde punt naar voren, alleen in andere bewoordingen. Hij zegt daar:
Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij.
Hij zegt:
De schapen volgen geen huurling. Zij volgen de ware Herder.
Hij werkt dat in het eerste deel van Johannes 10 verder uit, waar Hij erover spreekt dat Hij de Herder is. De mensen die Hem volgen, zijn als Zijn schapen, omdat ze Zijn stem herkennen. Ze zijn in werkelijkheid Gods schapen, en God heeft hen aan Christus gegeven. Hij zegt dus dat er mensen zijn die God in hun hart gehoorzamen en inzien dat wat Ik zeg van God komt. Van de rest van jullie verwacht Ik niet eens dat jullie zullen weten dat Mijn onderwijs van God komt, want jullie willen Zijn wil niet doen.
Wie vanuit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar Wie de eer zoekt van Hem Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig en geen ongerechtigheid is in Hem.
Dit is een algemene uitspraak, maar Hij spreekt natuurlijk over Zichzelf. Toch geldt die uitspraak in het algemeen. De persoon die op eigen gezag spreekt — en tussen haakjes, dat deden niet veel rabbijnen — zou zijn eigen eer zoeken. Hij probeert zichzelf te verheffen.
De rabbijnen spraken over het algemeen niet op eigen gezag en beweerden ook niet dat te doen. Oorspronkelijkheid in het onderwijs was niet iets waaraan de rabbijnen veel waarde hechtten. Als je Bijbelleraren hoort die altijd met een nieuwe invalshoek willen komen, met een nieuw inzicht dat nog nooit iemand heeft gehoord, zou je kunnen denken dat een leraar graag iets oorspronkelijks zou willen zeggen. Dan kan iedereen zeggen: “Heb je dat zelf bedacht?” “Ja.” En dan denk je: “Je bent een goede denker. Je bent echt origineel.”
Onder de rabbijnen werd oorspronkelijkheid niet gewaardeerd. Ze wilden altijd andere, vroegere rabbijnen kunnen citeren om alles wat ze zeiden te onderbouwen. Van sommige beroemde rabbijnen werd zelfs deze uitspraak aangehaald: “Ik heb nooit één woord gezegd dat niet eerder door andere rabbijnen is gezegd.” Dat was hun roem: dat ze niet afweken van de overlevering van degenen die hun waren voorgegaan.
Ze spraken nooit op eigen gezag en zeiden niet eenvoudigweg: “Zo zit het.” Ze zeiden bijvoorbeeld: “Rabbi die-en-die heeft gezegd dat deze wet zo moet worden opgevat, hoewel rabbi die-en-die daar een andere mening over heeft. Dit is wat hij zegt.” Ze zouden de opvattingen van rabbijnen weergeven, maar nooit hun eigen mening geven.
Mozes' wet en de aanklacht Hem te doden #
Daarom lezen we, wanneer Jezus onderwees, vooral in de synoptische evangeliën, vaak dat de mensen zich verwonderden omdat Hij sprak als Iemand die gezag heeft en niet zoals de schriftgeleerden. De schriftgeleerden spraken niet alsof ze enig gezag hadden. Een man die dat wel deed, zou ongewoon brutaal zijn. Hij zou zijn eigen eer zoeken. Hij zou zichzelf verheffen boven de rabbijnen die hem waren voorgegaan.
Jezus zei dat iedereen die op eigen gezag spreekt, zijn eigen verheffing zoekt. Hij zoekt zijn eigen eer, en dat geldt niet als goed of nederig. Jezus zegt dus: “Ook Ik spreek niet op Mijn eigen gezag. Misschien denken jullie dat Ik dat wel doe, omdat Ik geen enkele rabbi citeer. Ik zal jullie vertellen wie Ik citeer. Ik citeer God. Het onderwijs dat Ik geef, is niet van Mijzelf. Het berust niet op Mijn eigen gezag. Ik verzin dit niet. Eigenlijk ben Ik helemaal niet origineel. Ik geef jullie eenvoudigweg het onderwijs dat Mijn Vader Mij heeft gegeven. Ik zoek niet Mijn eigen eer en spreek niet uit Mijzelf.”
Hij zegt:
Wie de eer zoekt van Degene Die Hem heeft gestuurd, is betrouwbaar en er is geen ongerechtigheid in Hem.
Dat wil zeggen: niemand kan werkelijk iets aanmerken op iemand die alleen maar herhaalt wat hem is opgedragen te zeggen door iemand aan wie hij ondergeschikt is. Een boodschapper brengt eenvoudigweg de boodschap van zijn meester over. Zo brengt ook een zoon de boodschap over van zijn vader, die hem eropuit heeft gestuurd. Als die boodschap je niet bevalt, moet je niet de boodschapper de schuld geven. Er is niets mis met hem. Er is geen ongerechtigheid in hem. Als zijn boodschap je niet bevalt, geef dan degene die hem heeft gestuurd de schuld.
Hij zegt dus: “Bekritiseer Mij niet om wat Ik zeg. Wat Ik zeg, is wat Mijn Vader zegt.” Natuurlijk zouden veel mensen kunnen zeggen dat ze namens God spreken, terwijl dat niet zo is. Daarom zei Hij dat je iemand moet zijn die bereid is te doen wat God wil. Dan zal God je laten weten of wat Ik zeg waar is, of dit werkelijk is wat God zegt en niet alleen maar wat Ik zeg.
Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Waarom probeert u Mij te doden?
'U bent bezeten': verwarring over het doodsplan #
Waarom zegt Hij dit hier? Misschien gaat Hij verder waar Hij de vorige keer dat Hij in Jeruzalem was, aan het einde van hoofdstuk 5, ophield met Zijn berispingen aan hun adres. Misschien herinner je je nog hoe Zijn gesprek met hen in hoofdstuk 5 eindigde. Hij zegt in vers 44:
Hoe kunt u geloven, u die eer van elkaar aanneemt en de eer van de enige God niet zoekt?
Of:
de eer die alleen van God komt, in plaats van ‘de eer van de enige God’, zoals het hier weergegeven is.
45Denk niet dat Ik u zal aanklagen bij de Vader; die u aanklaagt, is Mozes, op wie u uw hoop gevestigd hebt. 46Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven; want hij heeft over Mij geschreven. 47Maar als u zijn Schriften niet gelooft, hoe zult u Mijn woorden geloven?
Hij zegt dat Mozes jullie zal oordelen. Mozes zal jullie op de oordeelsdag aanklagen, omdat hij tot jullie gesproken heeft en jullie niet naar hem luisteren. Hij pakt dat thema weer op in hoofdstuk 7, vers 19:
Heeft Mozes jullie niet de wet gegeven, terwijl niemand van jullie zich eraan houdt?
Jullie doen niet wat Mozes zei. Jullie noemen jezelf discipelen van Mozes, maar jullie volgen niet wat hij zei. Dit staat in contrast met Jezus, want Jezus brengt eenvoudigweg de boodschap van God en Hij is gehoorzaam aan Degene Die Hem gezonden heeft. Deze mensen hebben van Mozes bevelen gekregen en ze gehoorzamen niet. Deze mensen onderwijzen zogenaamd de leer van Mozes, maar ze luisteren niet naar Mozes. Ze horen niet wat Mozes zei. Ze gehoorzamen Mozes niet. En Hij zegt:
Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Waarom probeert u Mij te doden?
Dit is blijkbaar niet alleen een kreet van ergernis en frustratie. Hij wijst erop: jullie gehoorzamen Mozes niet. Bewijsstuk A: jullie proberen Mij te doden. Heeft Mozes niet gezegd:
U zult niet doodslaan.
Waarom proberen jullie Mij te doden? Heb Ik een misdaad begaan? Mozes zei:
Je mag niet doden.
Jullie houden je niet aan wat jullie volgens de wet van Mozes moeten doen. Hij heeft jullie de wet gegeven, maar jullie gehoorzamen hem niet. Jullie proberen Mij te doden. Dat is een wetsovertreding.
Er staat in vers 20:
De menigte antwoordde en zei: U bent door een demon bezeten; wie probeert U te doden?
Eerder is ons al verteld dat de Joden inderdaad probeerden Hem te doden. De mensen die dit bezwaar uitten, waren misschien mensen uit andere landen die onlangs voor het feest waren gekomen en niets van de voorgeschiedenis wisten en er niets over gehoord hadden. Ze dachten: wat? Ik zie niemand die probeert U te doden. U staat hier gewoon in het openbaar. Ik zie hier niemand die probeert U te doden. Waar hebt U het over? Bent U door een demon bezeten of zo?
Merk op dat de Joden bekend waren met demonische bezetenheid. Ze hadden demonische bezetenheid gezien. Dat weten we, omdat ze overal waar Jezus kwam mensen bij Hem brachten die door demonen bezeten waren, en Hem vroegen de demonen uit te drijven. Ik denk dat zij meer over demonische bezetenheid wisten dan wij, omdat wij die niet herkennen wanneer we die zien.
Merk op dat ze dachten dat Hij door een demon bezeten was. Maar op grond van welk symptoom? Ze dachten dat Hij paranoïde was. U denkt dat iedereen eropuit is U te doden? Ik zie niemand die probeert U te doden. Wat bedoelt U? U bent paranoïde, man. Er is hier geen gevaar.
Goddelozen vluchten terwijl er geen vervolger is, maar een rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw.
Besnijdenis op sabbat: Jezus' verdediging #
U moet wel gek zijn. U moet wel door een demon bezeten zijn. Zeggen dat iemand een demon heeft, komt bijna op hetzelfde neer als zeggen dat hij gek is. In die tijd werd gekte namelijk als iets demonisch beschouwd. Als je gek was, kwam dat volgens hen doordat je door een demon bezeten was. Paranoïde zijn was een vorm van gekte. Dus zeggen ze: U bent paranoïde. Niemand probeert U te doden.
Nogmaals, de mensen die dit zeiden, kunnen heel goed mensen zijn geweest die werkelijk niet wisten dat er een complot tegen Zijn leven bestond. Maar sommige mensen wisten het wel. Je ziet dit bijvoorbeeld in vers 25:
Sommigen dan van de inwoners van Jeruzalem zeiden: Is Hij het niet Die zij proberen te doden?
Maar dit waren de mensen uit Jeruzalem. Zij waren ingewijden. Zij wisten wat er op straat rondging. Waarschijnlijk waren degenen die zeiden:
Wie probeert U te doden?
mensen die niet uit Jeruzalem kwamen. Ze wisten niet wat er plaatselijk gaande was. Ze waren daar alleen voor het feest en ze zagen deze man spreken. Hij sprak in het openbaar in de tempel. Niemand probeerde Hem te doden, en ze zeiden: waarom zegt Hij dat mensen Hem proberen te doden?
Het is natuurlijk ook mogelijk dat de mensen die zeiden:
U bent bezeten! Wie probeert U te doden?
in werkelijkheid heel goed op de hoogte waren en er misschien zelfs bij betrokken waren. Misschien waren zij wel de mensen die Hem probeerden te doden, zoals Hij zei, maar probeerden ze dat te verbergen. Ze vonden het niet prettig om daar in het openbaar beschuldigd te worden, dus deden ze alsof het niet waar was.
Maar ik vermoed dat het misschien mensen waren die niet uit Jeruzalem kwamen en het daarom echt niet wisten. Want in vers 25 worden de mensen uit Jeruzalem genoemd die zeiden:
Dit is Degene die ze proberen te doden, terwijl ons niet wordt verteld waar de mensen vandaan kwamen tegen wie Hij in vers 20 spreekt.
Dit is een van de vele dingen die we in dit hoofdstuk tegenkomen waarbij de mensen verdeeld zijn. Sommigen zeggen dat ze deze Man proberen te doden. Anderen zeggen dat niemand deze Man probeert te doden. Terwijl we het hoofdstuk doorlezen, zullen we nog andere voorbeelden zien van mensen die er verschillende meningen op nahouden. We zagen dat al in vers 12. Sommigen zeiden:
En er was veel gemompel over Hem onder de menigten. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Nee, maar Hij misleidt de menigte.
Anderen zeiden:
Nee, Hij misleidt de mensen.
Dit is de verdeeldheid die vanwege Hem ontstond.
Vers 21:
Jezus antwoordde en zei tegen hen: Eén werk heb Ik gedaan en u verwondert u allen.
Hij verwijst in dit geval terug naar hoofdstuk 5, waar Hij de man genas die bij het bad van Bethesda lag.
22Welnu, Mozes heeft u de besnijdenis gegeven — niet dat zij van Mozes komt, maar van de vaderen — en u besnijdt iemand op de sabbat. 23Als een mens de besnijdenis ontvangt op de sabbat, juist om de wet van Mozes niet te breken, bent u dan verbitterd tegen Mij, omdat Ik een heel mens gezond gemaakt heb op de sabbat? 24Oordeel niet naar wat voor ogen is, maar vel een rechtvaardig oordeel.
Het punt dat Hij hier maakt, is dat zelfs onder de rabbijnen algemeen werd erkend dat sommige dingen belangrijker zijn dan het houden van de sabbat. Een daarvan was de besnijdenis. Dit was een algemeen erkende rangorde van verantwoordelijkheden die de rabbijnen hadden aanvaard. In de Misjna staat bijvoorbeeld in het traktaat Sjabbat: ‘Op de sabbat mogen zij alles verrichten wat voor de besnijdenis nodig is.’ Dat staat in het traktaat over wat volgens de Misjna wel en niet op de sabbat gedaan mag worden. De Misjna bevat natuurlijk de rabbijnse wetten.
De reden hiervoor was dat de wet voorschreef dat een jongetje op de achtste dag na zijn geboorte besneden moest worden. Omdat er op elke dag van de week baby’s geboren worden, zullen er een aantal baby’s geboren worden bij wie de achtste dag op een sabbat valt, dus op zaterdag. De vraag is dan deze. Normaal gesproken zou de rabbijn de besnijdenis uitvoeren, maar het is sabbat. Hij hoort zijn gewone werk niet te doen. Hij heeft de hele week besnijdenissen uitgevoerd. Moet hij daarmee ophouden op de sabbat? Wat heeft voorrang: het houden van de sabbat of het uitvoeren van de besnijdenis op de achtste dag? Konden ze niet tot de volgende dag wachten om de besnijdenis uit te voeren? De rabbijnen waren het erover eens dat de sabbat niet zo belangrijk is als de besnijdenis. Het is essentieel dat de besnijdenis op de achtste dag plaatsvindt. Daarom hadden ze gezegd: ‘Op de sabbat mogen zij alles verrichten wat voor de besnijdenis nodig is.’ Rabbijn Jose, die ook in de Misjna wordt aangehaald, zei: ‘Groot is de besnijdenis, die zelfs boven de strenge voorschriften van de sabbat gaat.’
Oordelen naar het uiterlijk: drie voorbeelden #
Jezus zegt eenvoudig wat de rabbijnen allemaal erkenden. Hij zegt:
Jullie besnijden mensen op de sabbat.
Hij zei:
Daarom heeft Mozes jullie de besnijdenis gegeven, en vervolgens tussen haakjes:
niet dat die van Mozes kwam, maar van de voorvaderen.
Wat Hij bedoelt, is dat Mozes de besnijdenis als vereiste in de wet had opgenomen, maar dat die al vóór de wet onder Israël bestond. Ze was oorspronkelijk aan Abraham gegeven. God gebood Abraham zichzelf en alle mannen van zijn familie en huishouding te besnijden. Ook al zijn nakomelingen moesten besneden worden. Dat stond in Genesis 17.
Jezus zei dus dat het niet werkelijk Mozes was die hun de besnijdenis had gegeven. De vaderen, die lang vóór hem leefden, deden het al. Toch blijft het waar dat Mozes haar wel als wet gaf. Toen hij de wet gaf, stond dit erin. Jezus zegt dus dat ze een man zullen besnijden om Mozes te gehoorzamen, zelfs als ze daarvoor de sabbat moeten overtreden. Maar Hij zegt:
Jullie erkennen zelf dat sommige dingen belangrijker zijn dan het houden van de sabbat.
Op een andere plaats, in Mattheüs 12, wees Hij hun erop dat de priesters die op de sabbat offers brengen hetzelfde doen. Hun werk eindigt niet op de sabbat. Ze stoppen niet op de sabbat. Ze brengen op de sabbat hun offers zoals op andere dagen. Er waren dus dingen die belangrijker waren dan het houden van de sabbat. Hij zegt:
Als een mens de besnijdenis ontvangt op de sabbat, juist om de wet van Mozes niet te breken, bent u dan verbitterd tegen Mij, omdat Ik een heel mens gezond gemaakt heb op de sabbat?
Hij heeft het over de man die Hij bij het bad had genezen. Daarvoor had Hij zware kritiek gekregen, en ze hadden Hem zelfs willen doden.
Hij zegt:
Oordeel niet naar wat voor ogen is, maar vel een rechtvaardig oordeel.
Die uitspraak, ‘Oordeel niet naar wat je aan de buitenkant ziet’, is hoe dan ook een goede regel. Maar ik heb me vaak afgevraagd waar Hij in deze context naar verwijst. Ze veroordeelden Hem duidelijk, of ze oordeelden op zijn minst over goed en verkeerd gedrag op een manier die voor Hem ongunstig uitviel. En ze deden dat op grond van wat ze aan de buitenkant zagen. Hoe dan?
Er zijn in dit hoofdstuk minstens drie manieren waarop ze zich schuldig maakten aan oordelen op grond van wat ze aan de buitenkant zagen. Twee daarvan zijn we al tegengekomen en één komt later in het hoofdstuk aan bod. Dat wil zeggen dat ze een verkeerd oordeel velden, omdat ze rekening hielden met wat ze aan de buitenkant zagen en niet met de diepere kwesties van gerechtigheid.
Een daarvan was dat ze Hem als een ongeschoolde Man hadden beoordeeld en daarom minder hoog van Hem dachten. Dat stond natuurlijk eerder, in vers 15:
En de Joden verwonderden zich en zeiden: Hoe kent Hij de Schriften zonder daarin onderwezen te zijn?
Hij was een ongeletterde plattelandsman, en ze oordeelden dat Hij niet werkelijk bevoegd kon zijn om als een rabbijn onderwijs te geven.
De overpriesters, de leiders en de Farizeeën zeiden later in dit hoofdstuk zelfs over de menigte, in vers 49:
Maar deze menigte, die de wet niet kent, is vervloekt.
De wetgeleerden dachten dat iedereen die niet zoals zij een bijzondere opleiding had gevolgd, vervloekt was, omdat zulke mensen niet alle rabbijnse wetten kenden. Daarom overtraden ze die voortdurend zonder het te beseffen en leefden ze voortdurend onder de vloek.
Zelfs Hillel, de grote rabbijn van een generatie vóór Jezus, had gezegd: „Er bestaan geen vrome gewone mensen.” Een gewoon mens was iemand die niet, zoals de Farizeeën, had gestudeerd om alle regels te kennen. Daarom overtraden gewone mensen voortdurend regels waaraan de Farizeeën zich wel hielden. Dus geloofden zij dat iedereen die geen speciale opleiding had gehad, in zonde leefde en niet bevoegd was om namens God te spreken. Toch stond Jezus bekend als iemand die niet was opgeleid.
Niet oordelen naar het uiterlijk (Mattheüs 7) #
Later in het boek Handelingen stonden Johannes en Petrus voor het Sanhedrin, en er staat dat het hun opviel:
dat het ongeschoolde en eenvoudige mensen waren. Jezus en Zijn discipelen hadden allemaal nagelaten een rabbijnse opleiding te volgen. De discipelen waren natuurlijk wel door Jezus opgeleid, de beste Leraar van allemaal.
Eén manier waarop zij naar de uiterlijke schijn oordeelden, was dat zij afgingen op de uiterlijke omstandigheid of iemand wel of niet opgeleid was. Ze zagen over het hoofd dat iemand namens God kon spreken, ook als hij geen opleiding had gehad. God kan ook door ongeschoolde mensen spreken.
Ze oordeelden ook dat Jezus een slecht mens was, omdat ze dachten dat Hij de sabbat overtrad. Dat is het belangrijkste punt dat Jezus in de directe context bespreekt. Maar Hij zegt dat zij op grond van oppervlakkige overwegingen oordelen, op grond van louter oppervlakkige regels die nergens logisch op gebaseerd zijn. Ze bekijken het niet vanuit het gezichtspunt van wat gerechtigheid zou vereisen. Ze vellen geen rechtvaardig oordeel. Ze oordelen alleen op grond van oppervlakkige regels en geboden die de rabbijnen hebben gegeven: „Doe dit niet” of: „Doe dit op de sabbat.” Ze kijken niet naar de zaak zelf.
Ze bekijken niet elk geval afzonderlijk. Deze Man heeft, zeggen zij, de sabbat overtreden, maar Hij heeft een man genezen. Is dat niet iets waarover we ons zouden moeten verheugen? Is dat niet iets rechtvaardigs om te doen? Ze oordeelden dus niet overeenkomstig gerechtigheid en velden geen rechtvaardig oordeel, maar oordeelden naar de uiterlijke schijn.
Ze oordeelden ook dat Hij een Galileeër was en wezen Zijn aanspraken op die grond af. Dat zien we bijvoorbeeld in vers 41:
Anderen zeiden: Híj is de Christus. En weer anderen zeiden: De Christus komt toch niet uit Galilea?
Zelfs de Farizeeën zeiden in vers 52:
Zij antwoordden en zeiden tegen hem: Bent u soms ook uit Galilea? Onderzoek en zie dat in Galilea geen profeet is opgestaan.
En zij hadden Hem verkeerd beoordeeld. Om te beginnen kwam Hij niet uit Galilea. Zij dachten van wel. Voor zover zij wisten, was Hij Jezus van Nazareth, omdat Hij in Nazareth in Galilea was opgegroeid. Zelfs een andere Galileeër had gezegd:
Rechtvaardig oordelen: Sodom en Kapernaüm #
En Nathanaël zei tegen hem: Kan uit Nazareth iets goeds komen? Filippus zei tegen hem: Kom en zie.
Maar de Messias moest uit Bethlehem komen, zeiden zij, en ze beseften niet dat Hij daarvandaan gekomen was. Dus ook daarin oordeelden zij verkeerd. Ze dachten dat Hij een Galileeër was. Ze oordeelden op grond van uiterlijke dingen, terwijl dat niet de dingen waren waarop ze hun oordeel hadden moeten baseren.
Let erop dat Hij zegt:
Oordeel niet naar wat voor ogen is, maar vel een rechtvaardig oordeel.
Deze woorden aan het begin van vers 24 zijn dezelfde als de eerste woorden van Mattheüs 7:1:
Oordeel niet, opdat u niet geoordeeld wordt;
Maar in Mattheüs 7:1 zegt Hij:
Oordeel niet, dan word je zelf ook niet geoordeeld.
Veel mensen vatten dat op als een absolute uitspraak: christenen zouden werkelijk niet mogen oordelen. Maar ze kijken niet naar dit vers, waar Hij zegt:
Oordeel niet op het uiterlijk, maar oordeel. Oordeel rechtvaardig.
Er bestaat geen algemeen verbod op het vellen van elk soort oordeel. Dan zou je een amoreel wezen moeten zijn. Je zou een plant of een dier moeten worden om geen oordelen te vellen, want morele wezens moeten altijd over dingen oordelen. Ze moeten altijd vaststellen dat sommige dingen goed zijn en andere verkeerd, al was het maar om hun eigen gedrag te bepalen. Maar zodra iemand tot het oordeel is gekomen dat sommige dingen goed en andere verkeerd zijn, herkent hij goed en verkeerd ook wanneer andere mensen die dingen doen. Daar is niets mis mee. Maar je moet er wel voor zorgen dat je beoordeling van wat goed en verkeerd is, werkelijk juist is. Het is ons niet werkelijk verboden om te oordelen. Het is ons verboden om op bepaalde manieren te oordelen. Het is ons verboden oppervlakkige oordelen te vellen, omdat we ons in zulke gevallen vergissen.
Denk eraan dat Jezus in Mattheüs 12 tegen de Farizeeën zei:
Maar als u geweten had wat het betekent: Ik wil barmhartigheid en geen offer, dan zou u de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
Jullie velden een oordeel en jullie oordeelden verkeerd. Jullie veroordeelden deze mensen, maar zij waren onschuldig. Waarom? Omdat jullie alleen aan uiterlijke rituele dingen dachten. Deze mensen overtraden inderdaad jullie rituelen, maar jullie dachten niet aan gerechtigheid. Jullie dachten niet aan wat God belangrijk vindt.
Als jullie dat hadden geweten, zei Hij, zouden jullie je niet zo hebben vergist en niet dat onjuiste oordeel hebben geveld. Dat is Mattheüs 12:7.
We moeten dus oordelen vellen, maar we mogen dat niet doen op grond van oppervlakkige overwegingen of alleen op grond van wat aan de buitenkant zichtbaar is. We moeten dieper kijken voordat we een oordeel vellen. Misschien zien we iemand op straat die aan lager wal is geraakt en zijn we geneigd om een kritisch oordeel over die persoon te vellen. Die persoon heeft ongetwijfeld een aantal slechte keuzes gemaakt, anders zou hij daar niet zijn. Maar we weten niet wat tot die slechte keuzes heeft geleid. We kennen de achtergrond van die persoon niet. Als we evenveel konden zien als God, zouden we misschien ontdekken dat hij minder schuldig is aan de slechte keuzes die hij heeft gemaakt dan wij aan de slechte keuzes die wij hebben gemaakt. Hij heeft in zijn leven namelijk met meer druk te maken gehad dan wij. Hij heeft minder goede invloeden van godvrezende mensen gehad dan wij. Wij hebben allerlei voordelen gehad die hij misschien niet heeft gehad. Daarom kunnen we werkelijk niet oordelen.
Niet naar uiterlijk oordelen: Samuel en David #
Bedenk dat Jezus zei dat het op de oordeelsdag draaglijker zal zijn voor Sodom en Gomorra dan voor Kapernaüm. Waarom? In Kapernaüm verkrachtten ze niet iedere mannelijke gast die de stad binnenkwam. Waarom zouden zij geen gunstiger oordeel krijgen dan Sodom en Gomorra, die zich volledig aan immoraliteit hadden overgegeven? Hij zei:
23En u, Kapernaüm, die tot de hemel toe verhoogd bent, u zult tot de hel toe neergestoten worden. Want als in Sodom de krachten waren gebeurd die in u hebben plaatsgevonden, dan zou het tot op de huidige dag gebleven zijn. 24Maar Ik zeg u dat het voor het land van Sodom verdraaglijker zal zijn op de dag van het oordeel dan voor u.
Betekent dit dat Sodom en Gomorra een lichtere straf zullen krijgen? Maar dat waren slechtere mensen. Die samenleving was verdorvener. Waarom zouden zij milder worden geoordeeld?
Jezus zei:
Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda! Want als in Tyrus en Sidon de krachten gebeurd waren die in u plaatsgevonden hebben, dan zouden zij zich allang in zak en as bekeerd hebben.
Herkomst van de Messias en Jezus' antwoord #
Dat wil zeggen: jullie hebben veel meer licht ontvangen. Jullie hebben veel meer voorrechten gehad. God heeft onder jullie wonderen gedaan en Ik heb onder jullie gepredikt, en jullie hebben het verworpen. Zij hebben die voorrechten nooit gehad. Jij zou hen dus strenger beoordelen dan Kapernaüm, maar God zal Kapernaüm strenger oordelen dan Sodom en Gomorra.
Hoe zou dit ook voor afzonderlijke mensen kunnen gelden? Misschien kijken we neer op mensen die hun leven hebben verwoest door slechte en domme keuzes te maken, terwijl wij dat niet hebben gedaan. We denken dat wij rechtvaardiger zijn dan zij. Oppervlakkig gezien misschien wel, maar alleen God weet of die mensen een goed of een slecht hart hebben. Misschien zouden zelfs wij dat kunnen weten als we het probeerden. Misschien hebben ze een beter hart dan wij. Ze hebben minder voordelen gehad dan wij. We weten het niet. Je moet voorzichtig zijn wanneer je een oordeel velt. Je kunt gedrag beoordelen, maar het is heel riskant om te proberen te beoordelen hoe verwijtbaar iemand is, want verwijtbaarheid kent werkelijk gradaties. Van gedrag kan worden gezegd dat het objectief goed of verkeerd is. Niemand twijfelt eraan dat iemand die, laten we zeggen, in onze tijd homoseksuele handelingen verricht, iets doet wat objectief verkeerd is. Zoiets kan onmogelijk juist zijn. Maar zulke mensen strijden misschien tegen neigingen die ze al sinds hun jeugd hebben, en misschien verzetten ze zich daar harder tegen dan wij ons verzetten tegen de verleidingen die wij hebben. Misschien bezwijken ze er gewoon voor. Wij bezwijken ook voor verleidingen, misschien voor lichtere verleidingen dan die van hen. We beoordelen hen op grond van oppervlakkige dingen. Jezus zegt: nee, je moet oordelen met een rechtvaardig oordeel. Je moet dieper kijken. Je moet kijken zoals God kijkt.
Maar de HEERE zei tegen Samuel: Kijk niet naar zijn uiterlijk en ook niet naar de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.
Dat is wat God tegen Samuel zei toen hij een nieuwe koning voor Israël zocht. Hij ging naar het huis van Isaï, en Eliab, de oudste zoon, kwam naar buiten. Hij was knap, lang en sterk. Samuels eerste indruk was:
En het gebeurde, toen zij kwamen, dat hij Eliab zag en dacht: Deze is vast en zeker voor de HEERE Zijn gezalfde.
God zei:
Nee, kijk niet eens naar zijn lengte of zijn knappe uiterlijk.
Hij zei:
God kijkt niet zoals een mens kijkt. Een mens kijkt namelijk naar het uiterlijk, maar God kijkt naar het hart.
Hij zocht een man naar Zijn eigen hart. David zag er ook goed uit en was sterk, maar het ging om zijn hart. Zelfs Samuel was aanvankelijk geneigd op het uiterlijk te oordelen en niet met een rechtvaardig oordeel, maar God corrigeerde hem.
Hoeveel bewijs is genoeg voor de Messias? #
Toen zeiden sommigen van hen uit Jeruzalem — dit is vers 25:
25Sommigen dan van de inwoners van Jeruzalem zeiden: Is Hij het niet Die zij proberen te doden? 26En zie, Hij spreekt vrijuit en zij zeggen niets tegen Hem. Zouden onze leiders soms werkelijk tot de erkenning zijn gekomen dat Híj werkelijk de Christus is? 27Maar van Hém weten wij waar Hij vandaan komt; wanneer echter de Christus komt, weet niemand waar Hij vandaan komt.
Merk op dat de meningen hierover opnieuw verdeeld zijn. De Joden hadden verschillende opvattingen over de Messias en Zijn afkomst. Hier zeggen ze dat de Messias, wanneer Hij komt, zomaar uit het niets zal verschijnen. Niemand zal weten waar Hij vandaan komt. Maar verderop, in vers 42, zegt een andere groep:
Zegt de Schrift niet dat de Christus komt uit het geslacht van David en uit het dorp Bethlehem, waar David was?
Sommigen van hen waren iets beter onderlegd in de Schrift. In Micha 5:2 staat dat de Messias uit Bethlehem zal komen, en sommige mensen wisten dat. Anderen hadden blijkbaar een rabbijnse traditie dat de Messias zomaar uit het niets zou verschijnen.
Toen ze zeiden:
We weten waar deze Man vandaan komt, weet ik niet waar zij dachten dat Hij vandaan kwam, want meestal hebben ze het mis. Zelfs degenen die wisten dat de Messias uit Bethlehem moest komen, wisten niet dat Hij uit Bethlehem kwam. Ze zeiden:
41Anderen zeiden: Híj is de Christus. En weer anderen zeiden: De Christus komt toch niet uit Galilea? 42Zegt de Schrift niet dat de Christus komt uit het geslacht van David en uit het dorp Bethlehem, waar David was?
Nou, Hij kwam uit Bethlehem, maar dat wisten ze niet. Dus zeiden de mensen:
We weten waar Hij vandaan komt.
Waarschijnlijk dachten ze dat Hij uit Galilea kwam. Maar hun voornaamste bezwaar in vers 27 was gebaseerd op hun specifieke opvatting dat de Messias zomaar uit het niets zou verschijnen. Blijkbaar werd die opvatting niet door alle Joden gedeeld.
Toen riep Jezus, terwijl Hij in de tempel onderwees:
Jezus dan riep in de tempel, terwijl Hij onderwijs gaf en zei: U kent Mij niet alleen, maar u weet ook waar Ik vandaan kom; en Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij Die Mij gezonden heeft, is waarachtig, en Hem kent u niet.
Trouwens, sommige vertalingen zetten daar aan het einde een vraagteken. Met andere woorden, Hij spreekt ironisch:
Jullie zeggen dat jullie Mij kennen. Jullie kennen Mij en jullie weten waar Ik vandaan kom, echt waar? Denken jullie dat?
Ik weet niet of daar een vraagteken hoort te staan, maar het Grieks heeft geen leestekens, dus het kan een vraag of een mededeling zijn.
Hoe dan ook, Hij zei:
En Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Degene Die Mij heeft gestuurd is betrouwbaar, en Hem kennen jullie niet.
Misschien weten jullie waar Ik vandaan kom, maar jullie weten niet Wie Mij gezonden heeft. Dat is in elk geval wat Hij zegt. Misschien weten jullie waar Ik vandaan kom, of denken jullie dat te weten. Maar de vraag of jullie het nu wel of niet weten, is niet zo belangrijk als de vraag Wie Mij gezonden heeft, en jullie nemen Hem niet aan.
Toen probeerden ze Hem te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, omdat Zijn uur nog niet gekomen was. Velen uit het volk geloofden in Hem en zeiden:
En velen uit de menigte kwamen tot geloof in Hem en zeiden: Wanneer de Christus komt, zal Hij toch niet meer tekenen doen dan Híj gedaan heeft?
Er zijn eigenlijk geen oudtestamentische Schriftgedeelten die specifiek zeggen dat de Messias tekenen en wonderen zal doen. Er zijn echter wel enkele gedeelten over de Messiaanse tijd, zoals Jesaja 35. Daarin staat dat de blinden zullen zien, de kreupelen zullen springen, de doven zullen horen en de stommen zullen spreken, enzovoort. Er staat niet dat die dingen door de Messias tot stand zullen worden gebracht. Maar er wordt wel gezegd dat dit dingen zijn die plaatsvinden tijdens het tijdperk van het Messiaanse Koninkrijk. Dat zou natuurlijk heel goed kunnen inhouden dat de Messias Degene zal zijn Die deze wonderen doet. Toen Johannes de Doper vanuit de gevangenis boodschappers naar Jezus stuurde, vroeg hij in elk geval:
Licht en duisternis: waarom mensen niet geloven #
Bent U de Messias of niet?
Dat is in wezen wat hij zei. Hij zei:
en zei tegen Hem: Bent U het Die komen zou, of verwachten wij een ander?
Jezus zei:
4En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ga heen en bericht Johannes wat u hoort en ziet: 5blinden worden ziende en kreupelen kunnen lopen; melaatsen worden gereinigd en doven kunnen horen; doden worden opgewekt en aan armen wordt het Evangelie verkondigd; 6en zalig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.
Hij zinspeelde eigenlijk op Jesaja 35, waar staat dat dit soort dingen in de Messiaanse tijd zullen gebeuren. Misschien hadden sommige rabbijnen zulke dingen dus genomen en daaruit afgeleid dat de Messias tekenen zou doen, of in elk geval dat er tekenen zouden zijn die de tijd van de Messias zouden inluiden.
En dus: als de Messias komt, zal Hij dan meer doen dan deze Man heeft gedaan? Met andere woorden, ze zeggen: ‘Waar wachten we hier nog op?’ Dit is misschien een goede vraag om mee af te sluiten. De scepticus zou zichzelf eigenlijk moeten afvragen, of hem zou gevraagd moeten worden: ‘Waar wacht je nu precies nog meer op? Wat zou ervoor nodig zijn om in Jezus te geloven? Wat zou God moeten doen? Wat zou de Messias moeten doen?’
Ik denk daar vaak aan wanneer mensen zeggen: ‘Ik geloof niet dat de Bijbel het Woord van God is.’ Dan zeg ik: ‘Maar hoe zit het dan met al die vervulde profetieën?’ Vervolgens verzinnen ze er uitvluchten voor: ‘We weten niet of die dingen echt zo gebeurd zijn’, of iets dergelijks. Is God dan niet in staat ook maar iets te doen om je te overtuigen? Wat ter wereld zou je er sterker van kunnen overtuigen dat het Woord van God geïnspireerd is dan het feit dat Hij de toekomst vertelt en zegt: ‘Dit komt doordat Ik God ben; Ik kan je dit vertellen’? Dus Hij doet het en het gebeurt. Jij zegt: ‘Nee, ik wil iets meer.’ Wat wil je dan? Wat wil je nog meer dan dat?
Jezus staat op uit de dood. Hij heeft twaalf getuigen die van Hem getuigen en die hun getuigenis met hun bloed bezegelen. Ze zijn oprecht. En toch zegt iemand: ‘Ik denk niet dat we genoeg bewijs hebben.’ Wat wil je dan? Als het erop aankomt, willen ze dat Jezus gewoon weggaat, dat Jezus gewoon geen aanspraak op hun leven maakt. Ze proberen niet overtuigd te worden. Ze willen niet overtuigd worden. Ze willen niet dat het waar is. Ze willen dat iets anders waar is. Ze zijn er niet blij mee dat er overvloedig bewijs is. Ze hopen dat het bewijs zal verdwijnen.
Dit zijn geen mensen die de waarheid zoeken. Dit zijn mensen die hun eigen doelen nastreven, en de waarheid zit gewoon min of meer in de weg van wat ze met hun leven willen doen. De vraag is dus: als de Messias komt, zal Hij dan meer tekenen doen dan dit? Goede vraag. Wat zou Hij nog meer kunnen doen? Hij wekte doden op. Hij liep over het water. Hij genas elke soort ziekte en opende de ogen van de blinden. Wat zou een Man volgens jou moeten doen om je te overtuigen?
En toch waren er veel Joden die deze dingen hadden zien gebeuren en nog steeds niet overtuigd waren. Waarom? Omdat ze niet op zoek waren naar beter bewijs of betere wonderen. Ze zochten niet naar meer bewijzen. Ze zochten naar manieren om het weg te verklaren, zodat het niet waar zou zijn.
Dit is wat Jezus in Johannes hoofdstuk 3 zei:
En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht.
Ze zochten niet naar licht. Ze zochten niet naar waarheid. Ze wilden het niet weten. Ze waren er niet blij mee dat Jezus kwam en het aan hen openbaarde.
Jezus zei tegen de Farizeeën:
Jezus zei tegen hen: Als u blind was, zou u geen zonde hebben, maar nu u zegt: Wij zien, zo blijft dan uw zonde.
Jullie zeggen dat jullie zien en hebben bovendien overvloedig licht ontvangen; daarom zijn jullie verantwoordelijk. Daarom zijn jullie schuldig, want licht is niet wat jullie willen. Ze wilden niet weten of Jezus werkelijk de Messias was. Ze zeiden niet: ‘We hebben gewoon wat meer bewijs nodig.’ Nee, ze zouden veel liever veel minder bewijs hebben gehad dan ze hadden, want het bewijs wees in een richting die leidde tot een conclusie die ze niet wilden aanvaarden.
Eerlijk gezegd bevinden veel mensen die geen christen zijn zich vandaag in precies diezelfde positie. Ze blijven maar zeggen: “Er is niet genoeg bewijs. Buitengewone beweringen vereisen buitengewoon bewijs.” We hebben buitengewoon bewijs dat in verhouding staat tot het buitengewone karakter van de beweringen.
Maar als je hun vraagt: “Wat zou je nu werkelijk willen hebben?” Ik heb atheïsten dit tijdens een debat gevraagd. Ik zei: “Van de dingen die God heeft gedaan om Zichzelf aan jou bekend te maken, doet geen enkel daarvan iets met je. Dus wat zou ervoor nodig zijn dat God je overtuigt?” Ze zeggen altijd hetzelfde: “Laat Hem in de lucht schrijven: ‘Ik ben God,’ of laat Hem gewoon hier voor mij verschijnen.”
En dan zeg ik: “Je bent niet eerlijk. Zelfs dan zou je niet geloven. Je zou zeggen dat het een holografisch beeld is. Je zou zeggen dat het een hallucinatie is. Je zou er wat voor natuurlijke verklaring dan ook voor geven.” Toen God in Johannes 12 vanuit de hemel sprak, zeiden sommigen:
Het heeft gedonderd.
Anderen zeiden:
Een engel heeft tot Hem gesproken.
Sommigen waren bereid er een bovennatuurlijke verklaring voor te geven, maar schreven het niet aan God toe: volgens hen was het gewoon een engel. Anderen waren zelfs niet bereid er een bovennatuurlijke verklaring voor te geven. Ze horen de stem van God en zeggen: “Dat was gewoon donder, gewoon iets natuurlijks. Er is niets bovennatuurlijks. Dat kan verklaard worden.”
Mensen hebben zich vastgelegd op ongeloof. Geen enkele hoeveelheid bewijs zal hen overtuigen. Jezus zei:
Als iemand de wil heeft om Zijn wil te doen, zal hij van dit onderricht weten of het uit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek.
Het gaat er niet om hoezeer het verstand overtuigd is. Het gaat erom hoe bereidwillig het hart is om te ontvangen, want iemand met een bereidwillig hart zal zien dat er meer dan genoeg bewijs is gegeven.
We komen hierop terug en maken dit hoofdstuk af.
Herkomst
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als John 7:1 - 7:31. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/johannes/7-1-31
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/johannes/7-1-31.pdf
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 16 - 7.1-31.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/johannes/7-1-31.mp3
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 16 - 7.1-31.mp3
Johannes
Alle lezingen over Johannes. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Inleiding Auteur, datum en betrouwbaarheid van Johannes
- 2 1:1-9 Het Woord: Jezus vóór zijn geboorte in Bethlehem
- 3 1:10-18 Waarom de wereld het Woord niet herkende
- 4 1:19-51 Johannes wijst naar het Lam van God
- 5 2:1-12 Bruiloft in Kana: water wordt wijn
- 6 2:13-25 Jezus jaagt handelaars uit de tempel
- 7 3:1-12 Nicodemus komt 's nachts en hoort over wedergeboorte
- 8 3:13-36 Johannes 3:16 en het getuigenis van de Doper
- 9 4:1-26 Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de put
- 10 4:27-42 Samaritaanse vrouw vertelt stad over Jezus
- 11 4:43-5:23 Zoon geneest op afstand, gelijkheid met de Vader
- 12 5:17-47 Jezus verdedigt zijn werk op de sabbat
- 13 6:1-21 Vijfduizend gevoed, en Jezus loopt over het water
- 14 6:22-45 Werk voor het brood dat blijft tot in het eeuwige leven
- 15 6:46-71 Vlees eten en bloed drinken: wat Jezus bedoelt
- 16 7:1-31 In het geheim naar het feest, en verdeeldheid in Jeruzalem
- 17 7:32-52 Jezus belooft levend water, men is verdeeld
- 18 8:1-11 Jezus veroordeelt de overspelige vrouw niet
- 19 8:12-59 Jezus is het Licht van de wereld
- 20 9 De blindgeborene ziet, de Farizeeën niet
- 21 10:1-21 Jezus als deur en herder van de schapen
- 22 10:22-42 Jezus’ schapen zijn veilig in Zijn hand
- 23 11:1-44 Jezus wekt Lazarus op uit de dood
- 24 11:45-12:19 Kajafas: Jezus sterft voor het volk
- 25 12:20-50 Jezus’ dood draagt veel vrucht
- 26 13:1-17 Jezus wast de voeten van zijn discipelen
- 27 13:18-13:38 Jezus voorzegt verraad en verloochening
- 28 14:1-14:6 God maakt Zijn woning in gelovigen
- 29 14:7-14 Wie Jezus ziet, ziet de Vader
- 30 14:15-31 Jezus komt terug in de Heilige Geest
- 31 15:1-8 Jezus is de wijnstok, wij zijn de ranken
- 32 15:9-27 Jezus’ vrienden: geliefd en gehaat
- 33 16 Jezus vertrekt, de Geest komt
- 34 17 Jezus bidt voor Zijn discipelen
- 35 18 Jezus gearresteerd en door Petrus verloochend
- 36 19 Jezus veroordeeld, gekruisigd en begraven
- 37 20 Jezus staat op en verschijnt aan de discipelen
- 38 21 Jezus herstelt Petrus bij het meer
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/johannes/7-1-31.srt
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 16 - 7.1-31.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/johannes/7-1-31.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Johannes 7:1
- Johannes 5:18
- Johannes 7:2-5
- Johannes 4:44
- Markus 3:20-21
- Markus 3:31
- Markus 3:34-35
- Johannes 7:3-4
- Johannes 7:6
- Johannes 7:7
- Johannes 7:8
- Johannes 7:10
- Johannes 7:12
- Deuteronomium 13:1-3
- Johannes 7:13
- Johannes 7:15
- Johannes 7:16
- Johannes 7:17
- Johannes 10:27
- Johannes 7:18
- Johannes 7:19
- Johannes 5:44
- Johannes 5:45-47
- Exodus 20:13
- Johannes 7:20
- Spreuken 28:1
- Johannes 7:25
- Johannes 7:21
- Johannes 7:22-24
- Johannes 7:23
- Johannes 7:24
- Johannes 7:49
- Johannes 7:41
- Johannes 7:52
- Johannes 1:46
- Mattheüs 7:1
- Mattheüs 12:7
- Mattheüs 11:23-24
- Mattheüs 11:21
- 1 Samuel 16:7
- 1 Samuel 16:6
- Johannes 7:25-27
- Johannes 7:42
- Johannes 7:41-42
- Johannes 7:28
- Johannes 7:31
- Mattheüs 11:3
- Mattheüs 11:4-6
- Johannes 3:19
- Johannes 9:41