Johannes 8:12-59

Jezus is het Licht van de wereld

1 uur 42 min · Lezing 19 van 38 ·

Jezus als het Licht van de wereld

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/johannes/8-12-59.pdf. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/johannes/8-12-59.

Samenvatting

Steve Gregg bespreekt Jezus’ uitspraken over Zichzelf als het Licht van de wereld en over het getuigenis van de Vader dat Zijn woorden bevestigt. Hij legt uit dat werkelijk geloof zichtbaar wordt in het blijven bij Jezus’ woorden: zo word je bevrijd van de slavernij aan de zonde. Vervolgens behandelt hij Jezus’ onderscheid tussen lichamelijke afstamming van Abraham en geestelijk kindschap, dat volgens hem blijkt uit iemands geloof en daden. Ten slotte bespreekt hij Jezus’ uitspraak „Vóór Abraham geboren was, ben Ik” als een goddelijke titel die aansluit bij het taalgebruik van Jahweh in Jesaja.

Jezus als het Licht van de wereld

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Johannes 8, vers 12 tot en met vers 59.

De vorige keer hebben we gekeken naar het begin van Johannes 8, waar het verhaal staat van de vrouw die op overspel betrapt was. Ik heb gezegd dat veel geleerden, misschien wel de meeste geleerden, geloven dat het daar niet op zijn oorspronkelijke plaats staat. De meeste handschriften hebben het daar staan, maar de handschriften waaraan geleerden het meeste gezag toekennen, hebben het daar niet. Sommige hebben het ergens anders staan. Sommige plaatsen het in Lukas 21 en andere hebben het op andere plaatsen staan. Maar de meeste geleerden lijken het erover eens te zijn dat de passage een authentiek verhaal is, of het nu oorspronkelijk op deze plaats stond of misschien op een ander moment in een andere context. De vorige keer hebben we dat behandeld tot en met vers 11. Daarom gaan we nu in hoofdstuk 8 verder bij vers 12:

Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal beslist niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.

Johannes 8:12

De Farizeeën dan zeiden tegen Hem: U getuigt van Uzelf, Uw getuigenis is niet waar.

Johannes 8:13

14Jezus antwoordde en zei tegen hen: Hoewel Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis waar, want Ik weet waar Ik vandaan gekomen ben en waar Ik heen ga, maar u weet niet waar Ik vandaan kom en waar Ik heen ga. 15U oordeelt naar het vlees, Ik oordeel niemand. 16En als Ik al oordeel, Mijn oordeel is waar, want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader, Die Mij gezonden heeft. 17En er staat ook in uw wet geschreven dat het getuigenis van twee mensen waar is. 18Ik ben het Die van Mijzelf getuig, en de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij.

Johannes 8:14-18

Laten we daar even stoppen. Hij begon met te zeggen:

Ik ben het licht van de wereld, wat in sommige opzichten godslasterlijk zou kunnen klinken. Bij deze gelegenheid pakten ze geen stenen op om Hem te stenigen, maar het was wel een omstreden uitspraak. Dat gold ook voor later, in Johannes 10, toen Hij zei:

Ik ben de goede Herder; de goede herder geeft Zijn leven voor de schapen.

Johannes 10:11

De reden dat dit omstreden zou zijn, is dat dit in het Oude Testament benamingen zijn die Yahweh voor Zichzelf gebruikte. Wat de herder betreft, zei David in Psalm 23:

De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets.

Psalmen 23:1

God zei ook in Ezechiël 37 dat de tijd zou komen waarin Hij Zelf de slechte herders zou vervangen die Israël slecht hadden behandeld. Hij zei:

Ik zal Zelf Mijn schapen weiden en Ik zal ze Zelf doen neerliggen, spreekt de Heere HEERE.

Ezechiël 34:15

Dus toen Jezus kwam en zei:

Ik ben de goede Herder; de goede herder geeft zijn leven voor de schapen.

Johannes 10:11

nam Hij een identiteit op Zich die het Oude Testament aan Yahweh toekende.

Ook hier, toen Jezus zei:

Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal beslist niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.

Johannes 8:12

zei David in Psalm 27:1:

De HEERE is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? De HEERE is mijn levenskracht, voor wie zou ik angst hebben?

Psalmen 27:1

Yahweh is het licht van de wereld. Yahweh is Degene Die in het Oude Testament zo wordt aangeduid, en ook in het Nieuwe Testament. Want in 1 Johannes 1:5 zei Johannes:

En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en aan u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.

1 Johannes 1:5

God is dus Degene Die licht is. Yahweh is Degene Die mijn licht en mijn behoud is. Jezus zegt nu:

De Dienaar als licht voor de heidenen

Ik ben het licht van de wereld.

Er is nog een andere betekenis waarin het Oude Testament sprak over het licht van de wereld, namelijk als de Dienaar van Yahweh. Als je Jesaja ooit hebt bestudeerd — en de meeste christenen hebben daar waarschijnlijk geen gelegenheid voor gehad, al weet ik zeker dat je het wel hebt gelezen — dan weet je dat onderzoekers van Jesaja hebben ontdekt dat er verschillende liederen zijn, vier, geloof ik. Daarin staat een persoon centraal die geleerden de Dienaar van Yahweh noemen, omdat Jesaja Hem zo noemt: de Dienaar van Yahweh, de Dienaar van Jehovah, de Dienaar van de Heere. Er zijn een aantal gedeelten in Jesaja die deze persoon afbeelden, die de Dienaar van Yahweh wordt genoemd.

Wij christenen identificeren Hem als Jezus. Hij is de Dienaar van Yahweh. Het bekendste hoofdstuk van Jesaja, hoofdstuk 53, is zelfs een van deze Liederen over de Dienaar, zoals ze worden genoemd. Hij is Degene Die verbrijzeld werd om onze overtredingen en verwond om onze ongerechtigheden, enzovoort. Al die dingen waarvan we weten dat ze over de gekruisigde Jezus gaan, staan feitelijk in een van de verschillende Liederen over de Dienaar. Wij zouden zeggen dat die over de Messias gaan.

Veel Joodse rabbijnen geloofden eveneens dat de Dienaar van Yahweh de Messias was. Moderne Joden zouden zeggen dat de dienaar van Yahweh in Jesaja Israël is. Daar zijn redenen voor, want soms wordt er over de dienaar gesproken alsof hij Israël is. Maar er zijn momenten waarop er op zo’n manier over de dienaar wordt gesproken dat het niet Israël kan zijn.

Jesaja 49:6 is bijvoorbeeld een van die Liederen over de Dienaar. In vers 3 staat:

Hij heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Knecht, Israël, in Wie Ik Mij zal verheerlijken.

Jesaja 49:3

Het klinkt dus alsof Hij tot Israël spreekt. En toch staat er in vers 6:

Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn om op te richten de stammen van Jakob en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen. Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.

Jesaja 49:6

Dit kan eigenlijk niet van toepassing zijn op het volk Israël als de dienaar. Hoewel de dienaar in vers 3 Israël wordt genoemd, lijkt het hier te gaan om iemand die Israël zal oprichten. Het is niet zo dat Israël Israël zou oprichten. De dienaar zal Israël en Jakob oprichten, en ook de heidenen, en hij zal een licht voor de heidenen zijn, zodat hij Gods behoud zal zijn tot aan de uiteinden van de aarde. De dienaar van Jahweh moet dus het licht voor de heidenen zijn, het licht van de wereld. Toen Jezus zei:

Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal beslist niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.

Johannes 8:12

riep dit bij de Joden natuurlijk al deze oudtestamentische ideeën op. Van Jahweh en de dienaar van Jahweh wordt gezegd dat zij het licht zijn. Jahweh is het licht. De dienaar is het licht voor de heidenen. Jezus vereenzelvigt Zich in wezen met deze dienaar van Jahweh, Die ook Jahweh is, net zoals de engel van Jahweh in het Oude Testament Jahweh is. Deze uitdrukkingen zijn goddelijke titels. Toen Jezus deze uitspraak over Zichzelf deed, zei Hij dat Hij het licht van de wereld is. Hij zegt:

Wandelen in het licht en Jezus volgen

Wie Mij volgt, zal niet in het donker lopen, maar zal het licht van het leven hebben.

Wandelen in de duisternis heeft twee betekenissen die in 1 Johannes worden uitgewerkt. Een daarvan is dat wandelen in de duisternis betekent dat je je verbergt. Je bevindt je in de schaduw. Je komt niet naar het licht, omdat je niet wilt dat je daden aan het licht komen. Ook Johannes 3 spreekt hierover. Jezus zei:

Dit is het oordeel: het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen hadden de duisternis liever dan het licht, omdat hun werken slecht waren. Wie de waarheid doet, komt naar het licht, opdat zichtbaar wordt dat zijn werken in God gedaan zijn.

Johannes 3:19-21

Naar het licht komen of in de duisternis blijven, in de duisternis wandelen, betekent dus dat je jezelf verbergt en niet wilt dat iemand ziet wat je doet. Dat is één betekenis van wandelen in de duisternis.

Een andere betekenis is dat je, als je in het licht wandelt, voldoende licht hebt om niet te struikelen en te vallen. Je zult niet in moeilijkheden komen, zoals in 1 Johannes 2 staat. In vers 11, 1 Johannes 2:11, staat:

Maar wie zijn broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en weet niet waar hij heen gaat, omdat de duisternis zijn ogen verblind heeft.

1 Johannes 2:11

Johannes belicht twee aspecten van iemand die in de duisternis wandelt. Het ene is dat iemand die in de duisternis wandelt, op een plek blijft waar anderen hem niet gemakkelijk kunnen zien. Ten tweede wandelt hij op een plek waar hij zelf ook niet kan zien waar hij heen gaat. Hij struikelt omdat hij niet kan zien waar hij heen gaat. En dus zegt Jezus:

Als je in Mij wandelt, als je in het licht wandelt — Ik ben het licht van de wereld — zul je niet in het donker lopen.

Je zult niet struikelen. Je zult weten waar je heen moet, en je zult je gedrag niet verbergen, omdat je geen dingen zult doen waarvan je je zou schamen als mensen ervan wisten. Hij zegt dat dit waar is als je Hem volgt. Wie Hem volgt, zal niet in de duisternis wandelen.

Hoe volgt iemand Jezus? Toen Jezus bij de vissers kwam en zei:

Volg Mij, betekende dat vanzelfsprekend dat ze zouden achterlaten waar ze mee bezig waren en met Hem mee zouden gaan naar de plaats waar Hij heen ging. Wanneer Jezus in Galilea iemand riep of uitnodigde om Hem te volgen, betekende dat: ‘Ik ga ergens heen. Blijf dicht bij Mij. Ga waar Ik heen ga. Loop achter Mij aan.’

Maar sinds Jezus is weggegaan, bevindt Hij Zich niet op slechts één plaats. Je kunt niet eenvoudig van de ene geografische plek naar de andere gaan en Jezus op die manier volgen, want Jezus is overal. Hij is alomtegenwoordig. Jezus volgen betekent daarom veeleer Zijn voorbeeld volgen, doen wat Hij zei dat je moest doen, Zijn onderwijs volgen en in wezen Christus navolgen en gehoorzamen. Het betekent ook dat je Zijn leiding volgt wanneer Hij aanwijzingen geeft, want Hij is de Herder en wij zijn de schapen. Wanneer we Jezus’ onderwijs, Zijn voorbeeld en Zijn leiding in ons leven volgen, zullen we het licht van het leven hebben.

Het vereiste van twee getuigen

Toen Hij dit over Zichzelf zei, reageerden de Farizeeën daar onmiddellijk op en zeiden:

De Farizeeën dan zeiden tegen Hem: U getuigt van Uzelf, Uw getuigenis is niet waar.

Johannes 8:13

Waarom zouden ze dat zeggen? Eerder, in hoofdstuk 5, vers 31, had Jezus Zelf gezegd:

Als Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis niet waar.

Johannes 5:31

En dus zeggen zij hetzelfde:

U getuigt over uzelf. Uw getuigenis is niet waar.

Maar toen Jezus dat eerder in hoofdstuk 5 zei, blijkt uit wat Hij vervolgens zei duidelijk dat Hij bedoelde: ‘Als alleen Ik van Mijzelf getuig en niemand anders dat doet, dan hebben jullie geen reden om te geloven dat Mijn getuigenis waar is.’ Want de wet zei:

Eén enkele getuige mag tegen niemand opstaan met betrekking tot enige ongerechtigheid of tot enige zonde, bij elke zonde die men ook zou kunnen doen. Op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen staat de zaak vast.

Deuteronomium 19:15

Dat stond in de context van rechtszaken. Het ging om de veroordeling van iemand wegens moord: er waren twee getuigen nodig om iemand wegens moord ter dood te veroordelen. In een rechtbank zou ieder woord worden bevestigd doordat er twee of meer getuigen waren. Niemand kon op grond van de getuigenis van één persoon worden veroordeeld.

Men begreep dat dit ook op veel andere situaties van toepassing was. Jezus paste het toe in Mattheüs 18, toen Hij in vers 15 zei:

Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga naar hem toe en wijs hem terecht tussen u en hem alleen; als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen.

Mattheüs 18:15

Maar Hij zei:

Maar als hij niet naar u luistert, neem er dan nog een of twee met u mee, opdat in de mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.

Mattheüs 18:16

Je spreekt iemand die zondigt en zich niet bekeert eerst onder vier ogen aan. Jezus zei dat, als dit niet werkt, twee of meer getuigen de zaak moeten vaststellen. Jezus neemt dat beginsel over uit het Oude Testament, waar het op rechtszaken van toepassing is, en past het toe op een situatie van gemeentetucht. Dit beginsel wordt zelfs, in de ene of de andere vorm, vijfmaal aangehaald of gebruikt in het Nieuwe Testament:

Op de verklaring van twee of meer getuigen zal elk woord vaststaan. Het is een zeer algemeen en vaststaand beginsel in zowel het Oude als het Nieuwe Testament.

Toen Jezus in Johannes 5:31 zei:

Als Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis niet waar.

Johannes 5:31

zei Hij niet werkelijk dat Hij loog omdat Hij deze dingen over Zichzelf zei. Hij zei eigenlijk: als je alleen Mijn getuigenis hebt en geen ander, dan heb je geen reden om te geloven dat wat Ik je vertel waar is. Dat is wat Zijn uitspraak werkelijk betekent. Na vers 31 van hoofdstuk 5 vervolgt Hij met de woorden:

Waarom Jezus’ eigen getuigenis waar is

Er is een Ander Die van Mij getuigt, en Ik weet dat het getuigenis dat Hij van Mij getuigt waar is.

Johannes 5:32

Hij vermeldt dat Johannes de Doper van Jezus getuigt. Ook de Vader, de werken die Hij doet en de Schriften zelf getuigen van Hem. Tot aan het einde van hoofdstuk 5 noemt Hij alle verschillende getuigen die ervan getuigen dat Hij is Wie Hij zegt dat Hij is. Maar Hij ontkent niet dat Hij ook van Zichzelf getuigt. Hij is Zelf een van de getuigen die van Hem getuigen. Er zijn ook anderen.

Zo is het ook hier. Zij zeggen:

De Farizeeën dan zeiden tegen Hem: U getuigt van Uzelf, Uw getuigenis is niet waar.

Johannes 8:13

Maar Jezus corrigeert hen. In hoofdstuk 8, vers 14, antwoordde Hij hun en zei:

Jezus antwoordde en zei tegen hen: Hoewel Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis waar, want Ik weet waar Ik vandaan gekomen ben en waar Ik heen ga, maar u weet niet waar Ik vandaan kom en waar Ik heen ga.

Johannes 8:14

Om te beginnen is Mijn getuigenis waar omdat Ik weet waar Ik het over heb. Ik weet waar Ik vandaan kom. Ik weet Wie Ik ben. Jullie weten niet Wie Ik ben of waar Ik vandaan kom. Als er dus een geschil tussen jullie en Mij zou ontstaan over Wie Ik ben, is Mijn getuigenis betrouwbaarder dan dat van jullie, omdat Ik iets weet wat jullie niet weten.

In elk debat staat iemand die iets heeft meegemaakt of iets weet sterker dan iemand die iets niet weet. Iemand die zegt dat hij agnost is, zegt dat hij niet weet of er een God is. Hoeveel dingen zou je moeten weten om te weten dat er geen God is? Je zou uiteraard alles moeten weten om te weten dat er geen God is. Want je zou heel veel dingen kunnen weten, terwijl God Zich buiten het terrein bevindt van de dingen die je weet. Je zou er alleen zeker van kunnen zijn dat er geen God is als je alles in het universum wist en wist dat God daar niet bij was. Dat kun je niet weten.

Met andere woorden, iemand die niet beweert God te kennen, staat zwak. Het enige wat hij kan doen, is zich op onwetendheid beroepen. Maar iemand die God werkelijk kent, staat sterker dan iemand die niet beweert God te kennen. Het is niet zo dat zij op gelijke voet staan: jij zegt dat je God kent, ik zeg dat ik God niet ken, dus het is gelijkspel. Niet precies. De twee getuigenissen staan niet op gelijke voet. Als iemand zegt: „Ik weet hier niets van,” en iemand anders zegt: „Ik wel. Ik heb hier enige ervaring mee,” dan staat degene die enige ervaring heeft duidelijk sterker dan degene die er niets van weet.

Jezus’ gezag om de wereld te oordelen

Hij zegt tegen hen: Mijn getuigenis is waar, omdat Ik iets weet wat jullie niet weten. Ik weet waar Ik vandaan kom. Ik weet Wie Ik ben. Jullie weten deze dingen niet. Daarom zou het onverstandig van jullie zijn om Mijn getuigenis terzijde te schuiven, alleen omdat Ik Degene ben Die het geeft.

Daarna zegt Hij verder dat Hij niet de Enige is Die dat getuigenis geeft. Zoals Hij in hoofdstuk 5 al heeft duidelijk gemaakt, zijn er naast Hemzelf andere getuigen. In vers 15 zei Hij:

U oordeelt naar het vlees, Ik oordeel niemand.

Johannes 8:15

Hij zei:

Ik veroordeel niemand, en dat staat in de tegenwoordige tijd: Ik oordeel nu niemand. Natuurlijk zal Hij wel oordelen. De Bijbel geeft aan dat Jezus, wanneer Hij terugkomt, op de rechterstoel zal zitten en de wereld zal oordelen. Wij zullen zelfs bij Hem zitten en samen met Jezus engelen en de wereld oordelen, zei Paulus in Eerste Korinthe 6.

Jezus is Degene Die zal zitten en oordelen. In hoofdstuk 5 had Jezus zelfs gezegd dat de Vader het gehele oordeel aan Hem heeft toevertrouwd (vers 22), en dat Hij Hem macht heeft gegeven om oordeel te vellen omdat Hij de Zoon des mensen is (vers 27). In Johannes 5, vers 27, zei Hij:

en Hij heeft Hem ook macht gegeven om oordeel te vellen, omdat Hij de Zoon des mensen is.

Johannes 5:27

In het boek Openbaring is er een boekrol, verzegeld met zeven zegels, in de hand van Degene Die op de troon zit. In dat geval is Degene op de troon de Vader, en het is het oordeel dat voltrokken moet worden. De boekrol moet geopend worden om het vonnis te kunnen lezen en voltrekken. Maar niemand is waardig. Een luide stem klinkt door de hemel en over de aarde en zegt:

En ik zag een sterke engel, die met luide stem uitriep: Wie is het waard de boekrol te openen en zijn zegels te verbreken?

Openbaring 5:2

Aanvankelijk wordt er niemand gevonden die waardig is, en Johannes huilt. Hij zegt:

En ik huilde erg, omdat er niemand werd gevonden die het waard was die boekrol te openen, te lezen of in te zien.

Openbaring 5:4

Toen zei een oudste tegen hem:

En een van de ouderlingen zei tegen mij: Huil niet. Zie, de Leeuw Die uit de stam van Juda is, de Wortel van David, heeft overwonnen om de boekrol te openen en zijn zeven zegels te verbreken.

Openbaring 5:5

Dan wordt Jezus daar gezien als Degene Die waardig is. Wie is waardig? Het gaat er niet om wie ertoe in staat is. Lakzegels op een document verbreken is niet zo moeilijk. Maar als jij niet degene bent die gemachtigd is om ze te verbreken, dan kun je het niet doen. Gewoonlijk wordt een document verzegeld door een bepaalde gezagsdrager, een hoge gezagsdrager, en niet iedereen mag die zegels verbreken. Iedereen zou het kunnen. Lak biedt niet zoveel weerstand dat je het niet kunt breken. Een kind zou ze kunnen verbreken, maar zou niet waardig zijn om dat te doen. Wie is gemachtigd om de zegels te verbreken?

Jezus veroordeelt nu niet

Jezus was de Enige Die gemachtigd, of waardig, was om dat oordeel in Openbaring te voltrekken, zoals we zien. Zo zegt Jezus ook in Johannes, hoofdstuk 5, vers 27, dat God heel het oordeel aan Jezus heeft toevertrouwd omdat Hij de Zoon des mensen is. Dus wanneer Jezus zegt:

bedoelt Hij niet dat Hij nooit iemand zal oordelen. Hij spreekt over wat Hij op dat moment doet:

Dit wordt geïllustreerd door Zijn ontmoeting met de vrouw die op overspel betrapt was. Sommige mensen denken zelfs dat deze uitspraak,

een aanwijzing is dat het verhaal van de vrouw die op overspel betrapt was werkelijk in deze context thuishoort. Jezus zei tegen haar:

Waar zijn degenen die je beschuldigen?

Ze zei:

En zij zei: Niemand, Heere. En Jezus zei tegen haar: Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer.

Johannes 8:11

Hij zei:

Ik veroordeel je ook niet. Ik oordeel ook niet over je. Ga en zondig niet meer.

Hoe dan ook, Jezus kwam niet om kritiek te leveren. Hij kwam niet om de wereld te oordelen. Hij kwam om de wereld te redden. Daarom zegt Hij:

En toch, als Hij wel oordeelt, als Hij een oordeel velt — en dat zal Hij doen — zegt Hij:

Mijn oordeel is rechtvaardig.

Johannes 8:16

Hij oordeelt niet naar het vlees of op grond van natuurlijke of oppervlakkige overwegingen. Hij kan oordelen over wat er in het hart is, omdat Hij daartoe in staat is. Hij is niet alleen. Hij heeft de Vader als Degene Die Hem inlicht.

De Vader kennen door Jezus

Hij zegt in vers 17:

En er staat ook in uw wet geschreven dat het getuigenis van twee mensen waar is.

Johannes 8:17

Daarom zei Hij eerder, in vers 14:

Jezus antwoordde en zei tegen hen: Hoewel Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis waar, want Ik weet waar Ik vandaan gekomen ben en waar Ik heen ga, maar u weet niet waar Ik vandaan kom en waar Ik heen ga.

Johannes 8:14

en wel om twee redenen. De eerste is:

Ik weet waar Ik het over heb, en jullie niet.

Ten tweede:

Ik ben niet alleen; de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt eveneens van Mij.

Johannes 8:16-18

Dat zijn twee getuigen, en dat zou genoeg moeten zijn.

Toen zeiden ze in vers 19 tegen Hem:

Zij dan zeiden tegen Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: U kent Mij niet en evenmin Mijn Vader; als u Mij kende, zou u ook Mijn Vader kennen.

Johannes 8:19

Met andere woorden:

We zien Hem hier niet over U getuigen. Waar is die Vader over wie U het hebt? Waar is die tweede getuige?

Jezus antwoordde:

Jullie kennen Mij niet en Mijn Vader ook niet. Als jullie Mij hadden gekend, zouden jullie ook Mijn Vader hebben gekend.

Jezus zei precies hetzelfde iets later tegen Zijn discipelen in het Evangelie van Johannes, in Johannes, hoofdstuk 14, toen Hij met hen in de bovenzaal was. In vers 7 zegt Hij:

Als u Mij gekend had, zou u ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu af kent u Hem en hebt u Hem gezien.

Johannes 14:7

Het is precies dezelfde zin die Hij tegen Zijn vijanden uitsprak. Maar in Johannes 14:7 zei Hij tegen hen:

Vanaf nu kennen jullie Hem en hebben jullie Hem gezien. Als jullie Mij hadden gekend, zouden jullie de Vader hebben gekend. Maar nu kennen jullie Hem en hebben jullie Hem gezien.

Filippus zei tegen Hem:

Filippus zei tegen Hem: Heere, laat ons de Vader zien en het is ons genoeg.

Johannes 14:8

Jezus zei tegen hem:

Jezus zei tegen hem: Ben Ik zo'n lange tijd bij u, en kent u Mij niet, Filippus? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien?

Johannes 14:9

Jezus kennen is God kennen. Als iemand zich afvraagt hoe God is: Hij is zoals Jezus. Als iemand zich afvraagt hoe God in de tijd van het Oude Testament was: Hij verandert niet. Ook toen was Hij zoals Jezus. Wanneer mensen zeggen: „Ik begrijp niet waarom God in het Oude Testament zo toornig is en in het Nieuwe Testament zo aardig”, dan moet je het wel verkeerd lezen, want God verandert niet. De God van het Oude Testament is de God Die Jezus Zijn Vader noemt. Hij zegt:

Als je Mij hebt gezien, heb je de Vader gezien. De Vader is precies zoals Ik.

Hoe is Jezus? Hij is barmhartig. Hij is genadig. Maar Hij is ook een God Die oordeelt. Het boek Openbaring is, nogmaals, een boek over Jezus Die oordeelt. De mensen op aarde zeggen tegen de bergen en de heuvels:

En zij zeiden tegen de bergen en de rotsen: Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam.

Openbaring 6:16

Jezus is het Lam.

Jezus is een God Die oordeelt, net zoals Hij dat in het Oude Testament deed. Hij oordeelt, maar Hij is ook een barmhartige God, zoals Hij dat in het Oude Testament was. Vaak hebben we de indruk dat Jezus geen getrouw beeld is van de God van het Oude Testament, omdat we in het Oude Testament zoveel gevallen zien waarin God over mensen oordeelt. Trouwens, Hij oordeelt ook in het Nieuwe Testament over mensen.

In het Oude Testament zien we hoe Uzza zijn hand uitstrekt om de ark van het verbond tegen te houden, en de toorn van de HEERE tegen hem ontbrandt, zodat hij sterft. Of we zien Nadab en Abihu, de twee zonen van Aäron, de tempel of de tabernakel binnengaan en de verkeerde wierook brengen. Dan komt er vuur van de HEERE uit dat hen verteert. Dat is God in het Oude Testament. In het Nieuwe Testament zien we Herodes in Handelingen 12 zo spreken dat hij goddelijke eer voor zichzelf ontvangt. En er staat:

En onmiddellijk sloeg een engel van de Heere hem, omdat hij God de eer niet gaf; en hij werd door de wormen gegeten en gaf de geest.

Handelingen 12:23

Dat klinkt niet heel anders dan de dood van Uzza, behalve dat het iets gruwelijker is. We zien Ananias en Saffira liegen tegen de Heilige Geest, en God slaat hen dood, net zoals Hij dat bij Nadab en Abihu deed.

In het Nieuwe Testament is God niet anders dan in het Oude Testament. In het boek Openbaring gaat het om de toorn van Christus. Het is het oordeel van Christus. Christus is een God van het oordeel. Waarom? Omdat Hij dé God is, dezelfde God Die ons gemaakt heeft, dezelfde God Die Zich in het Oude Testament in mindere mate heeft geopenbaard en in het Nieuwe Testament duidelijker, door Christus. Jezus zei:

Zij dan zeiden tegen Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: U kent Mij niet en evenmin Mijn Vader; als u Mij kende, zou u ook Mijn Vader kennen.

Johannes 8:19

In vers 19 zegt Hij:

Als jullie Mij hadden gekend, zouden jullie ook Mijn Vader hebben gekend.

Deze woorden sprak Jezus in de schatkamer, een plaats in de tempel, terwijl Hij onderwijs gaf in de tempel. Niemand sloeg de handen aan Hem, want Zijn uur was nog niet gekomen. Dit thema hebben we al twee keer eerder gezien, in hoofdstuk 7, de verzen 30 en 44. In hoofdstuk 7, vers 30, stond:

Zij probeerden Hem dan te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want Zijn uur was nog niet gekomen.

Johannes 7:30

In je zonden sterven zonder geloof

Ook staat er in hoofdstuk 7, vers 44:

En sommigen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem.

Johannes 7:44

Dit is ook niet de laatste keer dat we hierover zullen lezen. Het gebeurt opnieuw in hoofdstuk 8, vers 59:

Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar Jezus verborg Zich en ging de tempel uit; Hij ging midden tussen hen door en zo ging Hij weg.

Johannes 8:59

Ook daar, in hoofdstuk 10, vers 39, staat:

Zij probeerden dan opnieuw Hem te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.

Johannes 10:39

Als het voor Hem nog niet de tijd is om te gaan, is Hij moeilijk te grijpen. Het is moeilijk Hem te pakken te krijgen.

Hier staat niet dat ze het probeerden, maar het wijst erop dat ze dat waarschijnlijk wel gewild zouden hebben. Er staat:

Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, terwijl Hij onderwijs gaf in de tempel, en niemand greep Hem, omdat Zijn uur nog niet gekomen was.

Johannes 8:20

Blijkbaar wilden ze het, maar waren ze om de een of andere reden niet in staat het te doen.

Toen zei Jezus opnieuw tegen hen:

Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Ik ga heen en u zult Mij zoeken, en in uw zonde zult u sterven; waar Ik heen ga, kunt u niet komen.

Johannes 8:21

Toen zeiden de Joden:

De Joden nu zeiden: Hij zal toch Zichzelf niet doden, omdat Hij zegt: Waar Ik heen ga, kunt u niet komen?

Johannes 8:22

Hij zei tegen hen:

23En Hij zei tegen hen: U bent van beneden, Ik ben van boven; u bent van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. 24Ik heb u dan gezegd dat u in uw zonden zult sterven, want als u niet gelooft dat Ik het ben, zult u in uw zonden sterven.

Johannes 8:23-24

Ze zeiden tegen Hem:

Wie bent U?

Jezus zei tegen hen:

25Zij zeiden dan tegen Hem: Wie bent U? En Jezus zei tegen hen: Wat Ik u vanaf het begin al zeg. 26Ik heb veel over u te zeggen en te oordelen, maar Hij Die Mij gezonden heeft, is waarachtig, en wat Ik van Hem gehoord heb, spreek Ik tot de wereld.

Johannes 8:25-26

Ze begrepen niet dat Hij met hen over de Vader sprak.

Toen zei Jezus tegen hen:

28Jezus dan zei tegen hen: Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, zult u inzien dat Ik het ben, en dat Ik vanuit Mijzelf niets doe, maar dat Ik die dingen spreek zoals Mijn Vader Mij heeft onderwezen. 29En Hij Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem welgevallig is.

Johannes 8:28-29

Jezus spreekt hier twee keer over het feit dat zij in hun zonden zullen sterven. In vers 21 zei Hij:

Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Ik ga heen en u zult Mij zoeken, en in uw zonde zult u sterven; waar Ik heen ga, kunt u niet komen.

Johannes 8:21

En evenzo in vers 24:

Ik heb u dan gezegd dat u in uw zonden zult sterven, want als u niet gelooft dat Ik het ben, zult u in uw zonden sterven.

Johannes 8:24

De zonde tot de dood in 1 Johannes

Sterven in je zonden — ik denk dat er twee plaatsen zijn waarin je kunt zijn wanneer je sterft. Je kunt óf in je zonden zijn, óf in Christus. Natuurlijk geldt, als je in Christus bent:

Dus is er nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

Romeinen 8:1

Dat staat in Romeinen 8:1. Dit is dus de tragedie: niet dat iemand sterft, maar dat diegene in zijn zonden sterft, want dan sterft hij niet in Christus.

In je zonden sterven betekent dat je voor je zonden het oordeel onder ogen moet zien. Je sterft terwijl je nog steeds aan je zonden gebonden bent. Volgens Hem zou dat hun probleem worden. Ze zullen blijven zondigen tot ze sterven, tenzij ze in Hem gaan geloven. Ze zondigen nu. Ze zijn in zonde. Maar Hij zegt:

Het tragische is dat jullie daar zullen blijven tot jullie sterven. Jullie zullen in die toestand sterven, tenzij jullie tot inkeer komen, inzien wie Ik ben en in Mij geloven.

Verderop, in hoofdstuk 5 van 1 Johannes, geeft dezelfde schrijver onderwijs dat veel mensen heeft verontrust, omdat het moeilijk te begrijpen is. De meeste mensen vinden dat tenminste. In 1 Johannes 5:16–17 staat in vers 16:

Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, dan moet hij tot God bidden, en Hij zal hem het leven geven, namelijk aan hen die niet zondigen tot de dood. Er is een zonde tot de dood; daarvoor zeg ik niet dat hij moet bidden.

1 Johannes 5:16

In de Engelse vertaling waarop deze uitleg gebaseerd is, staan verscheidene toegevoegde woorden cursief; daarmee wordt aangegeven dat die woorden niet in het Grieks staan. In wezen staat er:

Als iemand ziet dat zijn broeder een zonde begaat die niet tot de dood leidt, moet hij voor hem vragen, en God zal degenen die een zonde begaan die niet tot de dood leidt het leven geven. Er is een zonde die tot de dood leidt.

Elke ongerechtigheid is zonde; en er is zonde die niet tot de dood leidt.

1 Johannes 5:17

Niet tot de dood. Zondigen niet tot de dood, of zondigen tot de dood. Als je je broeder ziet zondigen en hij niet tot de dood heeft gezondigd, bid dan voor hem. Vraag God hem barmhartigheid te bewijzen. God kan degene redden die nog niet tot de dood heeft gezondigd. Maar hij zegt dat er zoiets bestaat als zondigen tot de dood. Hij zegt dat als iemand dat gedaan heeft:

Ik zeg niet dat hij daarvoor moet bidden.

Johannes lijkt te zeggen dat er zoiets bestaat als zondigen tot de dood. Als iemand dat doet, zegt hij:

Ik raad je niet aan voor hem te bidden. Maar als iemand niet tot de dood zondigt, moet je voor hem bidden.

De meeste uitleggers en veel lezers denken dat Johannes hiermee naar een bepaalde, herkenbare zonde verwijst. De King James verwoordt het als volgt:

Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, dan moet hij tot God bidden, en Hij zal hem het leven geven, namelijk aan hen die niet zondigen tot de dood. Er is een zonde tot de dood; daarvoor zeg ik niet dat hij moet bidden. ::: Zodra je die begaat, is het met je gedaan. Zodra je die begaat, heb je de onvergeeflijke zonde begaan. Er is maar één andere plaats in de Bijbel die over zulke dingen lijkt te spreken. Nou ja, twee, omdat dit in de andere evangeliën in parallelle gedeelten voorkomt. Bij één gelegenheid sprak Jezus over mensen die de Heilige Geest lasteren en zei Hij: Ze zullen geen vergeving krijgen, niet in deze tijd en ook niet in de tijd die komt. Daarom denken veel uitleggers dat Johannes het over die specifieke zonde heeft: als je de Heilige Geest lastert, heb je tot de dood gezondigd. Aan de andere kant is het voor mensen door de geschiedenis heen moeilijk geweest om met zekerheid vast te stellen hoe godslastering van de Heilige Geest eruitziet of wat het is. Veel mensen die die misdaad waarschijnlijk niet hebben begaan, hebben gedacht dat ze dat wel hadden gedaan. En zeer waarschijnlijk zijn degenen die haar wel hebben begaan zich er vaak niet van bewust geweest dat ze dat hadden gedaan. Hoe zouden we eigenlijk kunnen weten of iemand die we hebben zien zondigen, wel of niet tot de dood heeft gezondigd? Als we het hebben over een soort vage, moeilijk te omschrijven zonde, hoe weten we dan of we voor hen moeten bidden? Als je niet hoort te bidden voor degenen die tot de dood zondigen, maar wel voor degenen die dat niet hebben gedaan, hoe kun je dan weten of iemand dat heeft gedaan? Persoonlijk zie ik dit gedeelte niet op die manier. Ik zie het gedeelte als een beschrijving van zondigen tot aan de lichamelijke dood. Wat zou het betekenen om ‘tot de dood te zondigen’? Wat betekent het om ‘trouw tot in de dood’ te zijn? De Schrift zegt in Openbaring 2:10 dat de gemeente van Smyrna dit moet zijn: ::: {.bijbelcitaat data-ref="Revelation 2:10" data-label="Openbaring 2:10" data-kind="verbatim"} Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt. En u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven.

1 Johannes 5:16

Tot de dood blijven zondigen

Wat betekent dat? Wees trouw totdat je je behoud verliest? Nee, het betekent dat je trouw moet zijn totdat je gestorven bent. Wees je hele leven trouw, tot aan het moment van je dood.

Wat als we die uitdrukking hier op die manier gebruiken? Iemand die tot de dood zondigt, zou iemand zijn die zijn zondige leven voortzet totdat hij sterft. Als iemand zijn zondige leven heeft voortgezet, dat wil zeggen, hij heeft zich niet bekeerd, hij is niet tot Christus gekomen, en hij is nu dood, doe dan geen moeite voor hem te bidden. Hij is niet in het vagevuur. Je kunt hem daar niet uit krijgen. Als hij tot de dood heeft gezondigd, doe dan geen moeite voor hem te bidden. Maar als je iemand ziet zondigen en hij niet tot de dood heeft gezondigd, betekent dat dat hij nog leeft. Bid voor hem. Er is nog hoop. Iedereen die zondigt, zou zich kunnen bekeren zolang hij nog leeft. Johannes zegt in wezen: doe voorbede voor iemand die nog niet dood is en nog in zonde leeft, want anders zal hij in zonde sterven. Zodra hij in zonde gestorven is, kun je hem met je gebeden eigenlijk niet meer helpen.

De betekenis van ego eimi

In Johannes 8 zegt Jezus dat deze mensen het gevaar lopen in hun zonden te sterven. Maar Hij zegt niet dat zij noodzakelijkerwijs in hun zonden zullen sterven. In vers 21 klinkt het alsof Hij dat wel zegt:

Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Ik ga heen en u zult Mij zoeken, en in uw zonde zult u sterven; waar Ik heen ga, kunt u niet komen.

Johannes 8:21

Maar in vers 24 maakt Hij duidelijk dat dit voorwaardelijk is:

Ik heb u dan gezegd dat u in uw zonden zult sterven, want als u niet gelooft dat Ik het ben, zult u in uw zonden sterven.

Johannes 8:24

Dit is voorwaardelijk. Hij voorspelt niet dat het een zekerheid is. Het kan zelfs heel goed zijn dat sommigen in die menigte in zonde leefden toen Hij sprak, maar zich later hebben bekeerd en tot Hem zijn gekomen, misschien in het boek Handelingen of op een ander moment. Hij voorspelt niet dat al deze mensen tot de dood zullen zondigen en in hun zonden zullen sterven. Maar Hij zegt dat dit zal gebeuren als zij niet geloven dat Hij is Wie Hij zegt dat Hij is.

Ik zeg: “Hij is Wie Hij zegt dat Hij is,” omdat in vers 24 de uitspraak “I am he” in het Grieks ego eimi is, wat letterlijk “Ik ben” betekent. Je zult zien dat het woord “he” in vers 24 in de Engelse vertaling cursief gedrukt staat. Dat betekent dat het niet in het Grieks staat. Hetzelfde geldt voor dezelfde formulering in vers 28. Hij zegt:

Jezus dan zei tegen hen: Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, zult u inzien dat Ik het ben, en dat Ik vanuit Mijzelf niets doe, maar dat Ik die dingen spreek zoals Mijn Vader Mij heeft onderwezen.

Johannes 8:28

Het woord “he” staat in de Engelse vertaling cursief. In het Grieks is het ego eimi. Ego, wat wij als “ego” zouden uitspreken, is het Griekse woord voor “ik”. Daarom gebruikte Freud het om een deel van de menselijke persoonlijkheid aan te duiden: het ego. Vervolgens had hij het superego, dat wat boven het “ik” staat. Ego is het Griekse woord voor “ik”, zoals ons woord “ik”—“mij”.

Eimi is een woord dat “ik ben” betekent. Je zou “ik ben” eenvoudig kunnen zeggen door eimi te zeggen. Je hebt het gedeelte ego niet nodig, alleen het woord eimi op zichzelf. Je spelt het E-I-M-I. E-I-M-I. Eimi. Dat woord op zichzelf betekent “ik ben”. Maar als je er het woord ego voor zet—ego eimi—betekent het letterlijk: “Ik, ik ben.” Het is eenvoudig een nadrukkelijke manier om te zeggen: “Ik ben.” We weten dat Jezus die uitdrukking aan het einde van dit hoofdstuk opnieuw zal gebruiken. In vers 58 zegt Hij:

Jezus zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik.

Johannes 8:58

Opnieuw is dat ego eimi. Deze keer vertalen ze het zonder het woord “he”. Op alle drie de plaatsen staat hetzelfde. Houd dat daarom in gedachten, want wanneer we bij vers 58 komen, wil ik bespreken wat dit op grond van het gebruik in het Oude Testament impliceert. Het is niet wat je denkt.

Bijna alle christenen zeggen: “Wel, Hij verwijst terug naar de brandende braamstruik, toen Mozes zei:

Hoe heet U?

en God zei:

Ik ben.

” In feite geloof ik dat Hij naar iets anders in het Oude Testament verwijst, maar dat zullen we later zien. Voor nu is het voldoende om te zeggen dat ego eimi in vers 24, vers 28 en vers 58 wordt gebruikt.

Begrijp goed dat ego eimi weliswaar letterlijk “I am” betekent, maar dat het ook de enige normale manier is om “I am he” te zeggen. Soms ligt in de uitdrukking ego eimi een “he” besloten dat er niet in staat. Ego eimi is de normale manier om zowel “I am he” als “I am” te zeggen, dus de context zou voor ons beslissen. Kijk bijvoorbeeld naar Johannes 9:9. De blinde man is genezen en de mensen vragen zich af of dit dezelfde man is die vroeger blind was.

De Joden begrijpen Jezus’ vertrek niet

Anderen zeiden: Hij is het; en weer anderen: Hij lijkt op hem. Hij zei: Ik ben het.

Johannes 9:9

—“I am he.” We kunnen zien dat de blinde man precies dezelfde woorden zegt als Jezus. Dat zou ons tot nadenken moeten stemmen voordat we menen dat ego eimi per se “I am” zonder “he” moet betekenen.

Dit is op dit moment verwarrend, en ik ben van plan het minder verwarrend te maken zodra we bij vers 58 komen. Ik wil er eenvoudig op wijzen dat we die uitdrukking hier op deze twee plaatsen tegenkomen. Nog voordat ik bij vers 58 kom, zal ik dit zeggen: toen Jezus deze uitdrukking, “I am He”, gebruikte, gebruikte Hij in feite een naam uit het Oude Testament voor Jahweh. Daar zullen we later meer over zeggen.

Eerder had Jezus gezegd:

Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Ik ga heen en u zult Mij zoeken, en in uw zonde zult u sterven; waar Ik heen ga, kunt u niet komen.

Johannes 8:21

Misschien herinner je je dat de mensen toen speculeerden: “Gaat Hij soms naar de Grieken om de Grieken te onderwijzen?” Dat stond in hoofdstuk 7, vers 34 en 35:

De verhoogde Zoon en de kruisiging

34U zult Mij zoeken maar niet vinden, en waar Ik ben, kunt u niet komen. 35De Joden dan zeiden tegen elkaar: Waar zal Hij naartoe gaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Hij zal toch niet naar de Grieken in de verstrooiing gaan en de Grieken onderwijzen?

Johannes 7:34-35

De Joden zeiden toen tegen elkaar:

Waar wil Hij dan heen gaan zodat wij Hem niet kunnen vinden? Wil Hij soms naar de Joden gaan die verspreid onder de Grieken wonen en de Grieken onderwijzen?

Dat was hun eerste theorie.

Toen Hij daarna dezelfde voorspelling deed, namelijk dat Hij zou weggaan naar een plaats waar zij niet konden komen, zeiden ze deze keer: “Waar heeft Hij het over? Gaat Hij Zichzelf soms doden?” Dat is hoofdstuk 8, vers 22. We zien dat ze er echt moeite mee hebben om te begrijpen wat Jezus zegt. Ze begrijpen Hem niet. Zelfs toen Hij in vers 26 over Zijn Vader sprak, staat er in het volgende vers:

Zij begrepen niet dat Hij tegen hen over de Vader sprak.

Johannes 8:27

Het is natuurlijk moeilijk te weten hoeveel wij zouden begrijpen als we in hun schoenen stonden, want wij hebben het Nieuwe Testament. Wij zijn ermee vertrouwd dat Jezus over Zijn Vader spreekt. Maar het lijkt mij dat ze, na alles wat Hij tot dan toe had gezegd, zouden weten over Wie Hij sprak wanneer Hij “Mijn Vader” zei. Toch gedroegen ze zich alsof ze het niet wisten. Ze leken het niet te begrijpen. Hun ogen leken verblind te zijn.

In vers 28 zei Jezus tegen hen:

Jezus dan zei tegen hen: Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, zult u inzien dat Ik het ben, en dat Ik vanuit Mijzelf niets doe, maar dat Ik die dingen spreek zoals Mijn Vader Mij heeft onderwezen.

Johannes 8:28

—dat ego eimi—

De uitdrukking “verhoogd worden” komt elders in het Evangelie van Johannes voor, en alleen bij Johannes. Die is kenmerkend voor Johannes. Ik geloof dat het steeds Jezus is Die deze term voor Zichzelf gebruikt en zegt dat Hij verhoogd zal worden. We kennen misschien beter de beroemdere uitspraak waarin Hij zegt:

En Ik, als Ik van de aarde verhoogd ben, zal allen naar Mij toe trekken.

Johannes 12:32

Johannes vertelt ons dat Hij deze uitdrukking gebruikte om te voorspellen op welke wijze Hij zou sterven. Met andere woorden: verhoogd worden betekent aan een kruis omhooggeheven worden.

Ik herinner me een lied dat in de jaren zestig heel, heel, heel populair was onder charismatische christenen: “Verhef Jezus hoger, verhef Jezus hoger, hef Hem omhoog zodat de wereld Hem kan zien. Hij zei:

Als Ik van de aarde omhooggeheven word, zal Ik de mensen naar Mij toe trekken.

” De uitdrukking werd gebruikt alsof die betekende dat je Jezus moest verheerlijken: “Verhef Jezus hoger.” In feite betekent de uitdrukking natuurlijk: “Kruisig Hem.” Dat maakt de boodschap van dat lied nogal ongemakkelijk.

Ware discipelen blijven in Jezus’ woord

In wezen zegt Hij:

Wanneer jullie de Zoon des mensen omhooggeheven hebben, wanneer jullie Mij gekruisigd hebben,

Jezus dan zei tegen hen: Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, zult u inzien dat Ik het ben, en dat Ik vanuit Mijzelf niets doe, maar dat Ik die dingen spreek zoals Mijn Vader Mij heeft onderwezen.

Johannes 8:28

Ik weet niet precies hoe Hij dit bedoelt, want sommigen van hen kwamen duidelijk niet tot geloof nadat Hij gekruisigd was. Aan de andere kant deden sommigen van hen dat wel. We weten dat, nadat Hij gekruisigd was en de Geest met Pinksteren was uitgestort, drieduizend mensen tot geloof kwamen. Misschien waren velen van hen wel aanwezig in deze menigte waartegen Hij sprak. Velen van hen gingen daarna in Hem geloven en beseften Wie Hij was. Zo moet Hij het bedoelen. Hij voorspelt beslist niet dat ze dat allemaal zouden doen.

Vers 29:

En Hij Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem welgevallig is.

Johannes 8:29

Wat Jezus ook doet, Hij doet altijd wat de Vader behaagt. Daarom is de Vader altijd blij met Hem en zal Hij Hem nooit verlaten, behalve misschien toen Hij aan het kruis hing. Zelfs toen behaagde Hij Zijn Vader.

Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen.

Jesaja 53:10

staat er in Jesaja 53. Het behaagde God kennelijk om Hem op dat moment werkelijk te verlaten.

In vers 30 staat:

Toen Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem.

Johannes 8:30

Maar wat voor soort geloof was dat? Dat zullen we ontdekken. Denk eraan dat Johannes vaak spreekt over mensen die in Hem geloven, terwijl Jezus niet in hen gelooft. In Johannes 2 staat dat, toen Hij op het feest was, velen in Hem geloofden vanwege de wonderen, maar dat Hij Zich niet aan hen toevertrouwde, omdat Hij wist wat er in hen was. Zij vertrouwden op Hem, maar Hij vertrouwde Zich niet aan hen toe.

Hier lezen we dat velen in Hem geloofden, en Hij stelde deze mensen vervolgens op de proef. Hij wendde Zich tot de Joden die Hem geloofden en zei:

31Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, 32en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.

Johannes 8:31-32

Hij spreekt tegen mensen die Hem hebben geloofd, maar die Hem kennelijk nog niet op een diepgaande en blijvende manier hebben geloofd. Ze zijn positief onder de indruk van wat Hij zegt. Ze beginnen te denken dat Hij de waarheid spreekt. Maar Hij zegt: “Ik weet niet echt zeker of jullie werkelijk Mijn discipelen zijn. Misschien gedragen jullie je nu als discipelen. Misschien zijn jullie op dit moment onder de indruk, maar jullie zijn alleen werkelijk Mijn discipelen als jullie in Mijn woord blijven.”

Het woord ‘blijven’ betekent ergens blijven of ergens mee doorgaan. Als jullie doorgaan in Mijn woorden, als jullie in Mijn woorden blijven, dan zijn jullie werkelijk Mijn discipelen. Niet alleen als jullie dat op dit moment denken, maar als jullie werkelijk voortdurend in Mijn woorden wandelen. Zijn woorden zijn natuurlijk de dingen die Hij onderwijst. Een discipel is iemand die de woorden van Jezus als richtsnoer voor zijn leven neemt.

Daarom legt Jezus in Mattheüs 28, bij de grote opdracht, uit hoe discipelen worden gevormd. Jezus zei dat zij die in Zijn woorden blijven, Zijn discipelen zijn. Later zegt Hij tegen Zijn discipelen:

Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen.

Mattheüs 28:19-20

Daarna zegt Hij:

En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Amen.

Mattheüs 28:20

Zo maak je iemand tot een discipel. Je leert hem alles in acht te nemen wat Jezus geboden heeft. Waarom? Omdat een discipel dat is: iemand die blijft bij wat Jezus gezegd heeft, die doet wat Hij geboden heeft en Hem gehoorzaamt.

Jezus zei:

Waarom noemt u Mij: Heere, Heere, en doet niet wat Ik zeg?

Lukas 6:46

Een discipel van Jezus zijn betekent dat Hij jouw Heere is, dat Hij jouw rabbi is, dat Hij jouw leraar is. Hij is Degene Die je volgt en gehoorzaamt. Als je niet in Zijn woorden blijft, ben je helemaal geen echte discipel.

Een echte christen — want de woorden ‘christen’ en ‘discipel’ zijn trouwens onderling verwisselbare termen in de Bijbel — is iemand die blijft bij wat Jezus gezegd heeft. In Handelingen 11:26 werden de discipelen in Antiochië voor het eerst christenen genoemd. De discipelen werden christenen genoemd. Het zijn onderling verwisselbare termen.

Een echte discipel, of een echte christen, is iemand die blijft bij wat Jezus gezegd heeft. Het is niet iemand die zich bij de gemeente aansluit en zich laat dopen, een zondaarsgebed uitspreekt of bij een oproep naar voren komt. Geen van die dingen vertelt je of iemand wel of geen christen is. Hoe weet je of iemand een christen is of niet? Als diegene blijft bij wat Jezus gezegd heeft.

Ik heb eens een heel goed traktaat gelezen dat door een onbekende man was geschreven. Hij was een broer van een vriend van mij. Het is nooit op grote schaal uitgegeven, maar ik vond het erg goed. In het begin van de jaren zeventig heette het Volg je de Herder? In die tijd was mijn eigen denken hierover nog niet zo helder als het later werd door mijn studie van de Schrift. Maar het was een heel goed traktaat.

Vrijheid verkeerd begrepen als slavernij

Er stond: “Volg je de Herder?” Hij zei: “Dat is werkelijk de vraag voor ons allemaal. De vraag is niet: Heb je een zondaarsgebed uitgesproken? Ben je gedoopt? Heb je je bij de gemeente aangesloten? Ben je door al die verschillende hoepels gesprongen?” Hij zei: “De echte vraag is: Volg je de Herder?” Dat maakt je tot een van Zijn schapen. Jezus zei:

Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij.

Johannes 10:27

Waar het werkelijk om gaat, is dit: volg je Hem? Blijf je in Zijn woord? Het gaat niet om wat je deed toen je twaalf jaar oud was en naar voren kwam. Het gaat zelfs niet om wat je vorig jaar deed. Het gaat erom wat je nu doet. Blijf je erin?

Jezus zei tegen deze mensen die op dat moment in Hem geloofden:

Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen,

Johannes 8:31

Als dat gebeurt, zul je de waarheid kennen. Dat wil zeggen: als je blijft bij wat Jezus heeft gezegd, dan sta je aan Zijn kant, dan behoor je tot Zijn familie, en dan zal Hij door Zijn woorden de waarheid aan je openbaren. En de waarheid zal je vrijmaken.

Dit zijn mensen die ogenschijnlijk gelovigen waren toen Hij tegen hen begon te spreken, maar ze begonnen al bezwaar te maken. In vers 33 antwoordden ze Hem:

Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden?

Johannes 8:33

Dit is heel kenmerkend voor het Evangelie van Johannes. Jezus zegt daar iets geestelijks en de mensen vatten Hem in lichamelijke zin op.

Jezus antwoordde en zei tegen haar: Als u de gave van God kende, en wist Wie Hij is Die tegen u zegt: Geef Mij te drinken, u zou het Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water gegeven hebben.

Johannes 4:10

De vrouw zei tegen Hem: Heere, U hebt geen emmer en de put is diep; waar hebt U dan het levende water vandaan?

Johannes 4:11

Jezus antwoordde en zei tegen hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.

Johannes 3:3

Nicodemus zei tegen Hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Hij kan toch niet voor de tweede keer in de buik van zijn moeder ingaan en geboren worden?

Johannes 3:4

Jezus antwoordde en zei tegen hen: Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen.

Johannes 2:19

De Joden zeiden dan: Zesenveertig jaar is aan deze tempel gebouwd, en Ú zult hem in drie dagen laten herrijzen?

Johannes 2:20

Iedere keer wanneer Jezus figuurlijk over iets spreekt, vatten de mensen Hem letterlijk op. Dat geldt ook voor:

Jezus dan zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als u het vlees van de Zoon des mensen niet eet en Zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in uzelf.

Johannes 6:53

De Joden dan redetwistten met elkaar en zeiden: Hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven?

Johannes 6:52

Ook hier zegt Hij:

Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden?

Johannes 8:33

Hij spreekt over geestelijke vrijheid, maar zij vatten Hem letterlijk op. Ze zeggen:

Wij stammen van Abraham af. We zijn nog nooit iemands slaven geweest. Hoe kunt U dan zeggen dat wij bevrijd moeten worden?

Ze voelen zich beledigd.

Blijkbaar waren ze niet bepaald op de hoogte van hun eigen geschiedenis. Zeggen dat ze nooit bij iemand in slavernij waren geweest, is zo ongeveer de onnauwkeurigste beoordeling van de geschiedenis van Israël die je je kunt voorstellen. Ze waren immers honderden jaren in slavernij geweest in Egypte. Helemaal aan het begin van hun bestaan als volk waren ze ontsnapt aan een lange periode van slavernij. Later, in de tijd van de Richteren, stonden ze vaak onder verdrukkers die hen onder de duim hielden: Midianieten, Ammonieten en Filistijnen.

De waarheid bevrijdt van de zonde

Later verbleef het Zuidelijke Koninkrijk natuurlijk zeventig jaar in ballingschap in Babylon. Daar waren ze in slavernij, en daarna waren ze nooit meer vrij, behalve gedurende een korte periode na de opstand van de Makkabeeën. Ze waren in slavernij onder de Babyloniërs, daarna onder de Perzen, daarna onder de Grieken en vervolgens onder de Romeinen. Zelfs op het moment dat ze dit zeggen, staan ze onder het gezag van de Romeinen. Toch zeggen ze:

We zijn nog nooit iemands slaven geweest.

Op de volgende straathoek staat een Romeinse soldaat die hen in het gareel houdt.

Ze ontkennen het. Ze willen hun werkelijke omstandigheden niet erkennen. Het zijn trotse mensen. „Wij zijn niet in slavernij.” „Wat zijn dat daar dan voor soldaten?” „Wij zijn niet aan hen onderworpen. Zij heersen niet over ons. Wij doen wat we zelf willen.”

Het lijkt op dat kleine kind dat steeds in zijn kinderstoel ging staan. Zijn moeder bleef zeggen: „Ga zitten”, en duwde hem weer naar beneden. Uiteindelijk zette ze hem vast met een riempje en kon hij niet meer opstaan. Hij zei: „Aan de buitenkant zit ik misschien, maar vanbinnen sta ik.” Zo was Israël. „Uiterlijk zijn we misschien in slavernij, maar in onze gedachten zijn we dat niet. We erkennen het niet.” Ze namen aanstoot aan de suggestie dat ze niet vrij waren en door Hem vrijgemaakt moesten worden.

Dit zijn mensen die in Hem geloofden. Nu maken ze al bezwaar tegen deze uitspraak. Wat Hij zei, is eigenlijk een kostbare belofte. Daar zou ik helemaal geen bezwaar tegen maken. Misschien komt dat natuurlijk ten dele doordat ik het hele verhaal kan lezen en beter weet waarover Hij het heeft dan zij destijds. Maar toch zei Hij:

31Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, 32en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.

Johannes 8:31-32

Dat heeft duidelijk niets met politieke vrijheid te maken. Het gaat om vrijheid in je denken, om vrijheid vanbinnen. De waarheid kennen bevrijdt je van dwaling en verkeerde overtuigingen en, zoals Hij duidelijk maakt, van de slavernij aan de zonde. Toen ze zeiden:

Hoe kunt U zeggen dat we bevrijd zullen worden?

antwoordde Jezus hun:

Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde.

Johannes 8:34

Daarvan moet je worden bevrijd.

35En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig. 36Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn.

Johannes 8:35-36

Als je een slaaf bent, heb je geen verzekerde plaats in de familie. De zoon heeft die wel, en daarom kan hij je vrijlaten. Hij is de erfgenaam van het huis. Hij heeft het gezag om de slaven vrij te laten. Daarom geldt: als Ik je vrijmaak, ben je werkelijk vrij. Ik kan je vrijmaken. Luister naar Mijn woorden en gehoorzaam ze.

Vrij waarvan? Van de zonde. Wat is het antwoord op de gebondenheid, de verslavingen en de slavernij aan de zonde van mensen? Het is discipelschap. Het is blijven in de woorden van Jezus.

Ik bedoel niet te suggereren dat het slechts een kwestie is van Zijn woorden leren en die mechanisch en wettisch opvolgen. Zonder Zijn Geest kunnen we Zijn woorden niet werkelijk opvolgen, en dat spreekt voor zich. We hebben Zijn Geest nodig. Hij geeft ons zowel het vermogen om Hem te volgen als het hart om dat te doen. Maar het is duidelijk dat Jezus aangaf dat het probleem van de mens slavernij aan de zonde is, en de oplossing is niet psychotherapie. Het zijn geen twaalfstappenprogramma's. Het zijn geen medicijnen. Als het probleem zonde is, dan is de oplossing:

31Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, 32en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.

Johannes 8:31-32

Dat is natuurlijk de waarheid die door de Heilige Geest werkzaam is in je leven.

Denk eraan dat Paulus tegen de Korinthiërs zei dat velen van hen in de greep waren geweest van zaken waarvoor wij mensen naar hulpverleners sturen. In 1 Korinthe hoofdstuk 6 zei hij in vers 9:

Nageslacht en ware kinderen van Abraham

9Of weet u niet dat onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet zullen beërven? 10Dwaal niet! Ontuchtplegers, afgodendienaars, overspelers, schandknapen, mannen die met mannen slapen, dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars en rovers zullen het Koninkrijk van God niet beërven.

1 Korinthe 6:9-10

Wij zouden kunnen zeggen: „Ook geen seksverslaafden, kleptomanen of alcoholisten.” Er worden hier oudere woorden voor dit soort dingen gebruikt.

Sommigen van u zijn dat wel geweest, maar u bent schoongewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God.

1 Korinthe 6:11

zegt hij.

Deze mensen zijn vrijgemaakt door de Naam van Jezus, door de Geest van God Die in hun leven werkt, en doordat zij zich niet laten misleiden. Dat wil zeggen: de waarheid maakt hen vrij. Hij begint met de woorden:

Of weet u niet dat onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet zullen beërven?

1 Korinthe 6:9

enzovoort. Laat je niet misleiden. Want als je denkt dat je het Koninkrijk van God zult binnengaan terwijl je dat als je identiteit beschouwt — „Ik ben een ontuchtpleger, ik ben een alcoholist, ik ben dit of dat” — dan zul je dat niet. Laat je daarover niet misleiden. De waarheid daarover zal je vrijmaken. Je kunt ophouden jezelf zo te noemen, en je kunt daarvan worden vrijgemaakt. Die slavernij aan de zonde zal worden verbroken.

De mensen hadden gezegd:

Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden?

Johannes 8:33

Jezus beantwoordde hun vraag hoe Hij kon zeggen dat zij vrijgemaakt moesten worden. Maar nu pakt Hij in vers 37 de band met Abraham weer op:

37Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent, maar u probeert Mij te doden, omdat Mijn woord in u geen plaats krijgt. 38Ik spreek over wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; u doet dus ook wat u bij uw vader gezien hebt.

Johannes 8:37-38

Hij vertelt hun nog niet wie volgens Hem hun vader is. Hij zegt: „Jullie en Ik hebben verschillende vaders. Ik spreek overeenkomstig wat Mijn Vader Mij heeft laten zien, en jullie volgen de agenda van jullie eigen vader.”

Zij antwoordden en zeiden tegen Hem:

Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tegen hen: Als u Abrahams kinderen was, zou u de werken van Abraham doen.

Johannes 8:39

Jezus zei tegen hen:

39Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tegen hen: Als u Abrahams kinderen was, zou u de werken van Abraham doen. 40Maar nu probeert u Mij te doden, een Mens Die de waarheid tot u gesproken heeft, die Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet.

Johannes 8:39-40

Door geloof erfgenamen van Abraham

Let erop dat Hij in vers 37 zei:

Ik weet dat jullie van Abraham afstammen.

Maar in vers 39:

Als jullie kinderen van Abraham waren, zouden jullie doen wat Abraham deed.

Ja, jullie zijn mensen die van Abraham afstammen, maar jullie zijn niet Abrahams kinderen in de betekenis die ertoe doet. De beloften die God aan Abraham en zijn kinderen deed, zijn bestemd voor degenen die zijn kinderen zijn door morele en geestelijke verwantschap, niet slechts door genetische afstamming, niet alleen voor erfelijke nakomelingen van Abraham.

Denk eraan dat Johannes de Doper in Mattheüs hoofdstuk 3, toen hij de Joden terechtwees, zei:

en denk niet dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader; want ik zeg u dat God zelfs uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken.

Mattheüs 3:9

Hij zegt:

God zou, als Hij dat wilde, van deze stenen kinderen van Abraham kunnen maken.

Van Abraham afstammen is niet wat ertoe doet. Paulus zei in Romeinen 2:28 en 29:

28Want niet híj is Jood die het in het openbaar is, en niet dát is besnijdenis die in het openbaar in het vlees plaatsvindt, 29maar híj is Jood die het in het verborgene is, en dát is besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God.

Romeinen 2:28-29

De Bijbel leert — Johannes de Doper, Jezus en Paulus leerden dit allemaal — dat van Abraham afstammen op zichzelf niemand een bijzondere zegen verleent. Van Abraham afstammen is niet belangrijk. God kan uit stenen kinderen van Abraham maken. Maar een kind van Abraham zijn in de betekenis die werkelijk telt, is iets anders. In die betekenis heb je aanspraak op een erfenis en op het behoren tot het volk van God.

In Galaten 3 zei Paulus, te beginnen bij vers 6:

Zoals Abraham God geloofde en het hem tot gerechtigheid werd gerekend.

Galaten 3:6

Abrahams belangrijkste geestelijke prestatie was dat hij God geloofde, en op grond van zijn geloof in God werd hij rechtvaardig gerekend. Paulus zegt dat de ware kinderen van Abraham degenen zijn die het geloof van Abraham hebben.

Dit lijkt sterk op wat Jezus hier zei:

Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tegen hen: Als u Abrahams kinderen was, zou u de werken van Abraham doen.

Johannes 8:39

Dat wil zeggen: jullie zouden doen wat Abraham deed. Hij geloofde. Hij probeerde geen onschuldige mensen te doden, zoals jullie doen. Jullie doen niet wat jullie vader Abraham deed. Daarom zijn jullie niet zijn ware kinderen.

Hun daden verraden een andere vader

Paulus zegt eveneens dat als je niet gelooft, je niet op je vader Abraham lijkt. Je bent geen waar kind van Abraham. Alleen degenen die geloven, die het geloof van Abraham hebben, zijn de ware kinderen van Abraham.

Iets verderop, in de verzen 28 en 29, zegt hij:

28Daarbij is het niet van belang dat men Jood is of Griek; daarbij is het niet van belang dat men slaaf is of vrije; daarbij is het niet van belang dat men man is of vrouw; want allen bent u één in Christus Jezus. 29En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen.

Galaten 3:28-29

Hij schrijft hier aan een gemeente van heidenen. De Galaten waren een groep heidenen die christen waren geworden. Hij zei tegen hen:

Als jullie bij Christus horen, stammen jullie van Abraham af en zijn jullie volgens de beloften de erfgenamen.

De belofte die God aan Abraham deed, is niet bestemd voor mensen die alleen lichamelijk van hem afstammen. Iedereen die Christus toebehoort, behoort tot Abrahams nageslacht en is erfgenaam, of diegene nu heiden of Jood is. In Christus is er geen Jood of heiden. Ras speelt geen rol.

God beoordeelt mensen niet op grond van wie hun voorouders waren of wie hun ouders of grootouders waren. God heeft geen kleinkinderen. Hij heeft alleen kinderen. Daarom moeten mensen zelf, rechtstreeks, een relatie met God hebben. Ze moeten er niet op rekenen dat hun ouders, grootouders of mensen uit een ver verleden in hun voorgeslacht een relatie met God hadden zoals Abraham die had.

en denk niet dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader; want ik zeg u dat God zelfs uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken.

Mattheüs 3:9

Dat zal helemaal niet meetellen.

Jezus zegt hier in Johannes 8:

Jullie stammen van Abraham af, maar zijn niet zijn kinderen in de betekenis van erfgenamen. Jullie zijn niet het uitverkoren volk zoals jullie denken,

want dan zouden jullie de werken van Abraham doen. Jullie zouden op hem lijken als jullie zijn kinderen waren. In vers 40 staat:

Maar nu probeert u Mij te doden, een Mens Die de waarheid tot u gesproken heeft, die Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet.

Johannes 8:40

en:

wat Ik van God heb gehoord. Abraham deed zoiets niet.

Abraham probeerde Mij niet te doden. Hij probeerde geen mensen te doden die hem de waarheid vertelden.

U doet de werken van uw vader. Zij zeiden dan tegen Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben één Vader, namelijk God.

Johannes 8:41

Dit is de tweede keer dat Hij hun vader noemt. In vers 38 zegt Hij:

Ik spreek over wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; u doet dus ook wat u bij uw vader gezien hebt.

Johannes 8:38

Hij heeft hun nog niet verteld wie hun vader is, maar eerst zeiden ze:

37Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent, maar u probeert Mij te doden, omdat Mijn woord in u geen plaats krijgt. 38Ik spreek over wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; u doet dus ook wat u bij uw vader gezien hebt.

Johannes 8:37-38

God als Vader van Israël en gelovigen

Hij zei:

Nee, dat is niet waar. Jullie hebben een andere vader en jullie doen wat jullie echte vader doet.

Toen zeiden ze tegen Hem:

Wij zijn niet uit ontucht geboren. Wij hebben één Vader: God.

Ik weet eigenlijk niet of die commentatoren gelijk hebben die denken dat ze, toen ze zeiden:

U doet de werken van uw vader. Zij zeiden dan tegen Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben één Vader, namelijk God.

Johannes 8:41

daarmee een steek onder water aan Jezus gaven. Veel mensen denken dat, omdat de moeder van Jezus zwanger was voordat ze getrouwd was, het verhaal rondging dat Jezus een buitenechtelijk kind was en uit ontucht geboren was. Met de woorden „Wij zijn niet uit ontucht geboren” maakten ze volgens sommigen een toespeling op de twijfelachtige omstandigheden rond Zijn eigen geboorte.

Later bedachten de Joden die Christus verwierpen in de Talmoed een verhaal dat Maria zwanger was geworden van een Romeinse soldaat en dat Jezus het buitenechtelijke kind van Maria en een Romeinse soldaat was. Dat werd in latere tijden, toen de Talmoed werd geschreven, de gangbare Joodse opvatting over Jezus. Het idee dat Hij uit ontucht geboren was, ging onder hen dus wel rond. Dat kan hier wel of niet het geval zijn geweest, want ze zouden veel onderzoek naar Zijn achtergrond hebben moeten doen om zelfs maar te weten dat Zijn moeder zwanger was geweest voordat Hij geboren werd. Ze hadden daarachter kunnen komen als ze spionnen naar Nazareth hadden gestuurd, waar Hij opgroeide, en navraag hadden gedaan. Misschien hadden ze de geruchten daarover opgevangen, maar we weten niet of ze zo’n onderzoek hadden gedaan.

Misschien zeiden ze eenvoudigweg: “Wat? Wij zijn toch niet buitenechtelijk? We zeiden dat we kinderen van Abraham zijn en U zegt dat we dat niet zijn? Denkt U dat we geen wettige kinderen van Abraham zijn?” Wanneer ze zeggen:

Wij zijn niet uit ontucht geboren, hoeft dat helemaal geen verwijzing naar Hem te zijn, hoewel veel christelijke leraren graag suggereren dat dit wel zo is. Misschien is dat zo, maar we weten het niet.

Waarom zij Jezus’ woorden niet horen

Dan doen ze er een schepje bovenop. Eerst zeiden ze:

37Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent, maar u probeert Mij te doden, omdat Mijn woord in u geen plaats krijgt. 38Ik spreek over wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; u doet dus ook wat u bij uw vader gezien hebt.

Johannes 8:37-38

Nu gaan ze een stap verder:

God is onze Vader.

Je zou kunnen zeggen: “Hoe konden ze dat zeggen, terwijl ze stenen opraapten om Jezus te stenigen toen Hij zei dat God Zijn Vader was?” Toen Jezus zei dat God Zijn Vader was, zeiden ze:

Daarom dan probeerden de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen het gebod van de sabbat brak, maar ook zei dat God Zijn eigen Vader was, en daarmee Zichzelf aan God gelijkmaakte.

Johannes 5:18

Hoe konden ze dan zeggen:

God is onze Vader?

Wat ze bedoelden, was dat God de Vader van het volk Israël is. In het Oude Testament was het niet ongebruikelijk dat God over Israël als geheel sprak als Zijn eerstgeborene, Zijn zoon. Het was gewoon een manier van spreken. Daardoor kwam het in het Oude Testament zelden voor, maar was het niet geheel ongehoord, dat er over God werd gesproken als de Vader van het volk Israël. Ze zeggen niet dat God hun persoonlijke Vader was in de betekenis die Jezus bedoelde. Dat was wat hun niet beviel aan Jezus. Hij zei:

Mijn Vader.

Zij zouden zeggen: “Onze Vader is God, onze Vader als volk. Hij is Degene Die ons volk uit Egypte heeft geleid en het als volk heeft doen ontstaan. Hij is Degene Die ons tot bestaan heeft gebracht. Hij is de Vader van het volk.”

Wanneer zij zeggen dat God hun Vader is, bedoelen ze niet hetzelfde als Jezus, of zelfs als wij wanneer wij zeggen dat God onze Vader is. Wij zouden zeggen dat God niet alleen de Vader van ons als geheel is. Hij is de Vader van ieder van ons afzonderlijk. Wij zijn wedergeboren. Wij zijn uit God geboren. In Johannes 1:12 stond:

Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;

Johannes 1:12

Zowel Jezus als christenen geven deze benaming een heel andere betekenis dan de Joden hier doen.

Jezus zei:

Jezus dan zei tegen hen: Als God uw Vader was, zou u Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan en gekomen. Want Ik ben ook niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.

Johannes 8:42

De duivel als vader van moord en leugen

Dan zouden we broers zijn, want Hij is Mijn Vader. Als Hij ook jouw Vader was, zou je Mij liefhebben. Dan zouden we familie zijn.

Waarom begrijpt u niet wat Ik zeg? Omdat u Mijn woord niet kunt horen.

Johannes 8:43

Ik wil niet veel over dit vers zeggen, want er komen belangrijke verzen aan waarbij we langer moeten stilstaan. Maar calvinisten gebruiken juist dit vers vaak om te zeggen: Kijk, zij waren niet uitverkoren. Als je niet uitverkoren bent, kun je niet horen wat Hij te zeggen heeft. Als je niet uitverkoren bent, kun je niet geloven. Hij zegt dat zij niet tot de uitverkorenen behoorden en daarom zei Hij:

Jullie kunnen Mijn woorden niet aanhoren. Jullie kunnen Mijn woorden niet begrijpen.

Hij zei inderdaad dat zij het niet konden. Maar Hij zei niet dat dit kwam doordat zij niet uitverkoren waren. Hij verwees hier helemaal niet naar uitverkiezing. Er kunnen allerlei redenen zijn waarom zij Zijn woorden niet konden horen, bijvoorbeeld dat hun hart verhard was of dat ze er hun levenswijze van hadden gemaakt God ongehoorzaam te zijn. Er is geen enkele reden om een specifiek calvinistische leer van de uitverkiezing in deze passage in te lezen. Wanneer Hij zegt:

„Jullie kunnen niet naar Mij luisteren”, dan kan ik dat gewoon nemen zoals het er staat. Ik denk dat er heel veel mensen zijn die God niet kunnen horen omdat ze hun hart hebben verhard. Ze hebben hun oren toegestopt en hun ogen gesloten, opdat ze niet zouden horen, zich bekeren en door Mij genezen worden, zei God.

Want het hart van dit volk is vet geworden, en zij hebben met de oren slecht gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan, opdat zij niet op enig moment met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart begrijpen, en zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen.

Mattheüs 13:15

Er zijn heel veel mensen die in die toestand zijn terechtgekomen. Het kan zijn omdat ze niet uitverkoren zijn, als iemand wil vasthouden aan de leer van de uitverkiezing volgens het calvinistische model. Maar dat is hier beslist geen noodzakelijke gevolgtrekking. Hier wordt niet naar uitverkiezing verwezen en deze passage biedt geen bijzondere ondersteuning voor die specifieke leer.

Weerlegging van de slangenzaadleer

Hij zegt alleen dat sommige mensen Hem inderdaad niet kunnen horen. Ze horen Hem wel, maar ze kunnen het niet begrijpen. Hun hart verkeert niet in een toestand waarin ze ook maar zouden kunnen reageren, omdat het voor hen nergens op slaat.

U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen .

Johannes 8:44

Nu zegt Hij het dus ronduit. In plaats van verhulde verwijzingen naar hun vader zegt Hij:

Jullie hebben de duivel als vader en jullie willen doen waar jullie vader naar verlangt. Hij was vanaf het begin een moordenaar en hij houdt niet vast aan de waarheid, omdat er geen waarheid in hem is. Wanneer hij liegt, spreekt hij vanuit zichzelf, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen.

Dat betekent kennelijk: de vader van de leugen.

Maar Mij, omdat Ik de waarheid spreek, Mij gelooft u niet.

Johannes 8:45

Jullie hebben de duivel als vader, die zich toelegt op moord en leugen, en jullie willen Mij vermoorden. Daarom hebben jullie Abraham niet als vader, want hij wilde geen mensen vermoorden. Hij zegt:

39Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tegen hen: Als u Abrahams kinderen was, zou u de werken van Abraham doen. 40Maar nu probeert u Mij te doden, een Mens Die de waarheid tot u gesproken heeft, die Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet. 41U doet de werken van uw vader. Zij zeiden dan tegen Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben één Vader, namelijk God.

Johannes 8:39-41

Kinderen herkenbaar aan hun daden

Mensen volgen hun vader. In mindere mate geldt dit voor natuurlijke kinderen die in het familiebedrijf worden grootgebracht. De vader leidt hen op en draagt het bedrijf aan de kinderen over. De kinderen volgen in de voetsporen van hun vader. Maar in de zin van geestelijk vaderschap geldt het zonder uitzondering. Als je geestelijk zaad van de duivel bent, zul je doen wat de duivel doet. Als je een kind van God bent, zul je doen wat God doet. In Efeze 5:1 staat:

Wees dan navolgers van God, als geliefde kinderen,

Efeze 5:1

Hij zegt dus dat je kunt zien wie je werkelijke ouders zijn.

Nu heeft Hij het niet over hun afkomst. Ik moet dit wel zeggen, omdat er zoveel verkeerde leerstellingen bestaan die op deze Schriftgedeelten gebaseerd zijn. Er zijn groeperingen die blanke suprematie aanhangen die de slangenzaadleer aanhangen. Die leert dat het Joodse volk in werkelijkheid helemaal niet van Abraham afstamde. Ze waren in werkelijkheid de nakomelingen van Eva en de slang. Eva en de slang hadden een verhouding waaruit Kaïn voortkwam, en de Joden in de tijd van Jezus waren de nakomelingen van Kaïn. Dat bedoelde Jezus toen Hij zei:

43Waarom begrijpt u niet wat Ik zeg? Omdat u Mijn woord niet kunt horen. 44U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen .

Johannes 8:43-44

Deze uitleg is echter onzinnig en wordt alleen aangehangen door mensen die een stuk of drie hersencellen hebben en er geen enkele van gebruiken. Wie zegt dat Jezus bedoelt dat deze mensen lichamelijk van satan afstamden, mist het punt. Want in vers 37 zei Hij:

Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent, maar u probeert Mij te doden, omdat Mijn woord in u geen plaats krijgt.

Johannes 8:37

Mensen die de slangenzaadleer aanhangen, zeggen dat de Joden in de tijd van Jezus niet de echte nakomelingen van Abraham waren. Ze behoorden tot een andere afstammingslijn die ten onrechte voor de afstammingslijn van Abraham werd aangezien. Ze behoorden in werkelijkheid tot de afstammingslijn van de duivel. Maar Jezus zei dat Hij wist dat zij de nakomelingen van Abraham waren, en dat gooit bij die gedachte behoorlijk roet in het eten. Hij zegt dat jullie lichamelijk nakomelingen van Abraham zijn, maar geestelijk niet zijn kinderen.

Als je nu naar 1 Johannes 3 gaat, zien we dat het hele gegeven van een kind van de duivel of een kind van God zijn opnieuw wordt besproken. In 1 Johannes 3, te beginnen bij vers 7:

Wie uit God is, hoort de waarheid

Lieve kinderen, laat niemand u misleiden. Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, zoals Hij rechtvaardig is.

1 Johannes 3:7

Dit klinkt bijna als dezelfde woorden van Jezus. De duivel was vanaf het begin een moordenaar, en Hij zegt:

Jullie hebben de duivel als vader. Hij was vanaf het begin een moordenaar.

Johannes zegt dat de duivel vanaf het begin zondigt.

Hiervoor is de Zoon van God verschenen: om het werk van de duivel teniet te doen. Wie uit God geboren is, zondigt niet, want Gods zaad blijft in hem en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is. Hieraan is te zien wie de kinderen van God en wie de kinderen van de duivel zijn. Wie niet rechtvaardig handelt, is niet uit God, en wie zijn broeder niet liefheeft evenmin. Want dit is de boodschap die jullie vanaf het begin hebben gehoord: dat we elkaar moeten liefhebben en niet moeten zijn zoals Kaïn, die bij de boze hoorde.

Kaïn was dus een voorbeeld van iemand die een kind van de duivel was. Daarom denken deze leraren van de slangenzaadleer dat Kaïn het lichamelijke nageslacht van satan was. Er staat:

niet zoals Kaïn: hij was uit de boze en sloeg zijn broer dood. En waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken slecht waren en die van zijn broer rechtvaardig.

1 Johannes 3:12

Als je denkt dat Johannes of Jezus, wanneer ze hierover spreken, het op de een of andere manier over biologische afstamming hebben, mis je het punt volledig.

8Wie de zonde doet, is uit de duivel; want de duivel zondigt vanaf het begin. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, dat Hij de werken van de duivel verbreken zou. 9Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is. 10Hieraan zijn de kinderen van God en de kinderen van de duivel te herkennen. Ieder die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als hij die zijn broeder niet liefheeft.

1 Johannes 3:8-10

Jezus’ woord bewaren en de dood niet zien

Het gaat niet over familielijnen. Je kunt in ieder ras mensen vinden die gerechtigheid doen, en je kunt in ieder ras mensen vinden die kwaad doen. Het is geen kwestie van ras. Het is uitsluitend een kwestie van geestelijke verwantschap. Als het om een geestelijke relatie gaat, ben je óf verwant aan God óf aan de duivel. Je kunt zien aan wie je verwant bent, omdat je in geestelijk opzicht doet wat jouw vader doet.

En dus zei Jezus:

U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen .

Johannes 8:44

Omdat jullie zijn kinderen zijn, zijn jullie leugenaars. Daarom kunnen jullie Mij niet geloven, want Ik vertel de waarheid. Jullie zijn toegewijd aan een leugen. Ik ben toegewijd aan de waarheid. We vinden gewoon geen aansluiting. Het gaat hier tussen ons als tussen een trage ober en iemand die weinig fooi geeft, want we zitten niet op dezelfde golflengte. Ik vertel de waarheid; jullie vertellen leugens. Jullie vader heeft leugens voortgebracht.

Is Jezus groter dan Abraham?

En Hij zegt:

Wie van u overtuigt Mij van zonde? En als Ik de waarheid spreek, waarom gelooft u Mij niet?

Johannes 8:46

Als Ik lieg, dan zondig Ik. Kunnen jullie een zonde aanwijzen die Ik bega? Kunnen jullie een leugen aanwijzen die Ik vertel? Zo niet, dan vertel Ik de waarheid. En als Ik de waarheid vertel, zouden jullie Mij moeten geloven.

Wie uit God is, hoort de woorden van God; daarom hoort u niet, omdat u niet uit God bent.

Johannes 8:47

De Joden antwoordden en zeiden tegen Hem:

De Joden dan antwoordden en zeiden tegen Hem: Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent en door een demon bezeten bent?

Johannes 8:48

Jezus ontkende dat Hij een demon had, zei dat Hij Zijn Vader eerde en dat zij Hem onteerden. Vervolgens zei Hij:

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand Mijn woord in acht genomen heeft, zal hij beslist de dood niet zien tot in eeuwigheid.

Johannes 8:51

Deze bewering gaat een nieuw bezwaar oproepen bij deze mensen, over wie in vers 30 wordt gezegd dat ze in Hem geloofden. Maar ze nemen steeds meer aanstoot aan Hem, en Hij geeft aan dat ze niet Zijn discipelen zijn. In feite hebben ze de duivel als vader. Ze geloofden dus. Blijkbaar kan zelfs iemand die de duivel als vader heeft, tot op zekere hoogte in Hem geloven. Maar als ze niet volharden, vooral wanneer Hij harde uitspraken doet, blijkt daaruit dat ze niet werkelijk Zijn discipelen zijn.

Hij zei:

Als jullie je aan Mijn woord houden, zullen jullie de dood nooit zien.

De Joden zeiden tegen Hem:

De Joden dan zeiden tegen Hem: Nu weten wij zeker dat U door een demon bezeten bent. Abraham is gestorven en de profeten, en zegt U: Als iemand Mijn woord in acht genomen heeft, zal hij beslist de dood niet proeven tot in eeuwigheid?

Johannes 8:52

Abraham verheugde zich over Jezus’ dag

Trouwens, hun uitspraak U bent bezeten is hun manier om te zeggen: ‘Je bent gek.’ Ze hadden in hun taal geen woord voor ‘gek’, en zelfs niet voor ‘krankzinnig’. Ze kenden het begrip psychische ziekte of psychische gezondheid niet. Ze dachten in termen van demonen. Dus wanneer ze in vers 48 zeiden:

De Joden dan antwoordden en zeiden tegen Hem: Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent en door een demon bezeten bent?

Johannes 8:48

bedoelden ze: ‘Je bent gek.’

Ze zeggen:

52De Joden dan zeiden tegen Hem: Nu weten wij zeker dat U door een demon bezeten bent. Abraham is gestorven en de profeten, en zegt U: Als iemand Mijn woord in acht genomen heeft, zal hij beslist de dood niet proeven tot in eeuwigheid? 53U bent toch niet meer dan onze vader Abraham, die ook gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven. Voor wie geeft U Zichzelf uit?

Johannes 8:52-53

Jezus krijgt dit soort vragen van tijd tot tijd:

Denkt U dat U groter bent dan die-en-die?

Denk eraan, de vrouw bij de bron zei:

Bent U soms meer dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft en zelf daaruit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn kudden?

Johannes 4:12

Nu zeggen zij:

Bent U groter dan Abraham? Bent U groter dan de profeten?

Dat is een strikvraag. Natuurlijk zou Jezus ja kunnen zeggen, maar Hij spreekt nooit zo rechtstreeks tegen deze mensen. In Zijn antwoorden aan hen is Hij ontwijkend, net zoals toen Hij tegen de menigten in Galilea sprak. Hij gebruikte altijd een gelijkenis, zodat ze Hem niet zouden begrijpen, maar aan Zijn discipelen legde Hij alles afzonderlijk uit.

Tegen de mensen die Zijn vijanden waren, kwam Hij nooit echt ronduit met de woorden: ‘Ik zal jullie vertellen Wie Ik ben. Ik ben de Messias.’ Hij vertelde het de vrouw bij de bron, maar zij was een oprechte zoeker. Tegen deze mensen zegt Hij het niet. Ze vragen:

Voor wie houdt U zichzelf eigenlijk?

Hij zei: ‘Het doet er niet toe voor Wie Ik Mijzelf uitgeef.’

Jezus antwoordde: Als Ik Mijzelf eer, betekent Mijn eer niets; Mijn Vader is het Die Mij eert, van Wie u zegt dat Hij uw God is.

Johannes 8:54

De vraag is: Wie zegt God dat Ik ben?

En u kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en als Ik zeg dat Ik Hem niet ken, ben Ik, net als u, een leugenaar. Maar Ik ken Hem en neem Zijn woord in acht.

Johannes 8:55

Toen Hij zei:

Abraham, uw vader, verheugde zich er sterk op dat hij Mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en heeft zich verblijd.

Johannes 8:56

Hoe Abraham Jezus kan hebben gezien

zei Hij in feite hetzelfde als eerder:

39Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tegen hen: Als u Abrahams kinderen was, zou u de werken van Abraham doen. 40Maar nu probeert u Mij te doden, een Mens Die de waarheid tot u gesproken heeft, die Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet.

Johannes 8:39-40

Als jullie echte kinderen van Abraham waren, zouden jullie Mijn dag zien, zoals hij die zag, en zouden jullie er blij om zijn. Jullie zijn niet blij. Jullie zijn niet blij met Mij. Jullie hebben Mij niet lief. Als jullie Abrahams kinderen waren, zouden jullie zijn zoals hij. Hij zag Mijn dag en was blij. Ware kinderen van Abraham zijn blij Jezus te zien. Ze ontvangen Jezus. Ze verzetten zich niet tegen Jezus.

De Joden zeiden tegen Hem:

De Joden dan zeiden tegen Hem: U bent nog geen vijftig jaar en hebt U Abraham gezien?

Johannes 8:57

Hij was inderdaad nog geen vijftig jaar oud, waarschijnlijk pas begin dertig. We weten Zijn precieze leeftijd niet, maar naar alle waarschijnlijkheid stierf Hij voordat Hij vijfendertig was. Toch kenden zij Zijn leeftijd niet. Het is mogelijk dat ze gewoon een bovengrens probeerden te bepalen, om er zeker van te zijn dat wat ze zeiden niet onjuist was.

Ze konden niet precies zien hoe oud Hij was. In derdewereldlanden houden mensen vaak niet precies bij hoe oud ze zijn. Het komt tegenwoordig in derdewereldlanden heel vaak voor dat volwassenen niet precies weten in welk jaar ze geboren zijn, omdat ze die dingen gewoon niet bijhouden. We hebben Afrikaanse studenten op onze school gehad die niet wisten hoe oud ze waren. Ze zeiden alleen: ‘Wij houden verjaardagen niet bij.’

Vóór Abraham was, ben Ik

Wat de oudheid betreft, ik herinner me dat er in Lukas staat dat Jezus ongeveer dertig jaar oud was toen Hij begon te prediken. Zelfs Lukas legt zich niet vast. Hij weet niet precies hoe oud Jezus was. Misschien wisten zelfs de discipelen van Jezus het niet. Misschien wist niemand het, omdat het niet werd bijgehouden. Hij was echter ongeveer dertig toen Hij begon, en moet daarom ongeveer drieëndertig of vierendertig zijn geweest toen Hij stierf. Maar Hij was nog geen vijftig. Dat konden ze wel zien. Dat was een veilig getal om als bovengrens voor Zijn leeftijd te kiezen. Hij zag er nog niet uit alsof Hij vijftig was.

Ze vragen:

Hebt U Abram gezien?

Nu was Abram tweeduizend jaar eerder gestorven, en Hij beweert dat Hij Abram heeft gezien en dat Abram Hem heeft gezien. Bij welke gelegenheid zag Abram Jezus? Dat is wat ze vragen. ‘Je bent nog geen vijftig jaar oud. Denk Je dat Je Abraham hebt gezien? Wanneer zou dat dan geweest zijn?’

Wie weet? Misschien was het toen Abram Melchizedek ontmoette. Als de schrijver van Hebreeën gelijk heeft in Hebreeën hoofdstuk 7, dan was Melchizedek Jezus. Hij verscheen aan Abram, en Abram was blij Hem te zien en gaf Hem een tiende van alles wat hij had. Misschien verwijst Hij daarnaar. Of misschien was het in Genesis 18, toen Jahweh aan Abram verscheen en er drie mannen verschenen, van wie er twee engelen waren en één Jahweh. Abram bood hun gastvrijheid, gaf hun te eten en liet hen daarna verdergaan.

Hoe dan ook kunnen we zeggen dat Abram Jezus inderdaad heeft gezien, hoewel Zijn uitspraak:

Abram was blij dat hij Mijn dag zou zien, betekent misschien veeleer dat Abraham van God de belofte had ontvangen dat een van zijn nakomelingen de volken zou zegenen. Abraham verheugde zich over dat vooruitzicht. Met het oog van het geloof zag hij die dag. In Hebreeën hoofdstuk 11 staat dat Abraham, Izak en Jakob allemaal in geloof stierven zonder de beloften ooit ontvangen te hebben, maar dat ze die uit de verte zagen en omhelsden. Volgens mij staat er in Hebreeën, hoofdstuk 11, vers 13 dat ze die uit de verte zagen en omhelsden en beleden dat ze vreemdelingen en pelgrims waren.

Ego eimi als goddelijke titel in Jesaja

Misschien zegt Jezus dat Abraham, jullie vader, door het geloof Mijn dag zag, omdat hij de belofte van God had, daarop vertrouwde en die als het ware met het oog van het geloof zag. Het is moeilijk om precies te weten hoe Jezus dit bedoelt, maar het is heel duidelijk dat Hij zegt dat Abraham op de een of andere manier van Jezus wist en heel blij was met Jezus, in tegenstelling tot deze mensen.

Ze zeggen: ‘Je kunt Abraham niet hebben gezien, want Je bent niet oud genoeg. Je leefde toen nog niet.’ Hij zegt:

Voordat Abraham er was, ben Ik er.

Toen raapten ze stenen op om die naar Hem te gooien. Jezus verborg Zich en ging de tempel uit. Hij liep midden tussen hen door en ging zo voorbij.

Er waren andere gelegenheden waarop ze Hem wilden doden, maar deze keer konden ze zich nauwelijks bedwingen. Ze raapten stenen op, werkelijk met de bedoeling Hem te stenigen, maar op de een of andere manier glipte Hij weg. Ze deden dat omdat Hij zei:

Voordat Abraham er was, ben Ik er.

‘Ik ben’ is opnieuw ego eimi, en dat staat in de tegenwoordige tijd. Hij heeft dat in vers 24 en in vers 28 voor Zichzelf gebruikt. Bij die twee gelegenheden pakten ze geen stenen op om Hem te stenigen, mogelijk omdat ego eimi in die context dubbelzinniger was. Het kon ‘Ik ben’ betekenen, of ‘Ik ben het’. Maar in dit geval was ego eimi heel duidelijk een goddelijke titel.

De meeste christenen geloven dat Hij zinspeelt op Exodus, hoofdstuk 3, vers 14. Daar stond Mozes bij de brandende braamstruik en zond God hem om de confrontatie met de farao aan te gaan en Israël te vertellen dat God hen ging bevrijden. Hij zegt:

En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.

Exodus 3:14

God zei:

Ik ben die Ik ben. Zeg hun daarom dat „Ik ben” je heeft gestuurd.

Vanwege die overeenkomst in bewoordingen zijn de meeste christenen van mening dat Jezus daarnaar verwijst. God zei:

„Ik ben” heeft je gestuurd.

Jezus zei:

Voordat Abraham er was, ben Ik er.

De onveranderlijke titel ‘Ik ben’

Het lijken dezelfde woorden. Het is hetzelfde idee, maar het zijn niet dezelfde woorden. In de Septuaginta, het Griekse Oude Testament, zijn de woorden in Exodus 3:14 niet ego eimi.

Het is waar dat Johannes de woorden van Jezus waarschijnlijk uit het Aramees in het Grieks vertaalde. Het Evangelie van Johannes is, net als de andere Evangeliën, in het Grieks geschreven. En Jezus sprak waarschijnlijk Aramees toen Hij deze woorden uitsprak. De woordkeuze zou daarom de woordkeuze van Johannes zijn, niet die van Jezus. Maar stel dat Johannes geloofde dat Jezus Exodus 3:14 citeerde toen Hij in het Aramees ‘Ik ben’ of ‘Ik ben het’ zei. Johannes koos Griekse woorden om Jezus’ uitspraak weer te geven. Waarom gebruikte hij dan niet dezelfde woorden die zij al uit de Septuaginta kenden?

Als hij probeert de uitspraak van Jezus met Exodus 3:14 te verbinden, lijkt het erop dat Johannes bij het kiezen van Griekse woorden als vertaling van ‘Ik ben’, wat Jezus in het Aramees gezegd zou hebben, vermoedelijk dezelfde woorden zou kiezen die zij al uit Exodus 3:14 in de Septuaginta kenden. Maar dat deed hij niet. Hij koos andere woorden: ego eimi. Deze woorden zijn echter ook een goddelijke titel, maar niet uit Exodus. Ze komen uit Jesaja. In Jesaja zegt God een aantal keren ‘Ik ben het’, wat in het Griekse Oude Testament ego eimi is, dezelfde woorden die Jezus hier gebruikte. God gebruikt ze in een betekenis die onmogelijk kan worden aangezien voor het gewone ‘ik ben het’. Het is zonder enige twijfel een persoonlijke titel.

Er zijn een aantal van zulke plaatsen, maar ik wil je ongeveer drie gevallen laten zien. In Jesaja 41:4 zegt Jahweh:

Wie heeft dit bewerkt en gedaan? Hij Die de generaties riep vanaf het begin! Ik, de HEERE, Die de Eerste ben, en bij de laatsten ben Ik Dezelfde.

Jesaja 41:4

Ego eimi, zegt de Septuaginta.

Ik ben de Eerste, Ik ben bij de laatsten, Ik ben Jahweh en Ik ben het.

Dit ‘Ik ben het’ staat ook in hoofdstuk 43 van Jesaja. Jesaja 43:10 zegt:

U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn dienaar die Ik verkozen heb, opdat u het weet en Mij gelooft, en begrijpt dat Ik Dezelfde ben: vóór Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn.

Jesaja 43:10

Maar kijk eens naar vers 13:

Ook voor de dag er was, ben Ik, en er is niemand die uit Mijn hand kan redden. Ik zal werken, en wie zal het keren?

Jesaja 43:13

Ego eimi.

Let op hoe grammaticaal stroef dat is:

Voordat de dag er was, ben Ik het.

Zou het niet natuurlijker zijn om te zeggen: ‘Voordat de dag er was, was Ik het’? De structuur is precies hetzelfde als in de uitspraak van Jezus:

Voordat Abram er was, ben Ik het.

Ego eimi. Hieraan kun je zien dat het een titel is en niet slechts het gewone ‘ik ben het’. Want Hij zou gezegd hebben: ‘Voordat de dag er was, was Ik het, en Ik ben het nog steeds’, of zoiets. Maar Hij zegt:

Voordat de dag er was, ben Ik er.

Hij haalt de tijden door elkaar, alsof het ‘Ik ben het’ in de tegenwoordige tijd moet blijven staan, ongeacht welke tijd de rest van de zin vereist.

Je ziet hetzelfde in Jesaja 46:3 en 4:

3Luister naar Mij, huis van Jakob, en heel het overblijfsel van het huis van Israël, u, die door Mij gedragen bent vanaf de moeder schoot, gedragen vanaf de baarmoeder. 4Tot uw ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot uw grijsheid toe zal Ík u dragen; Ík heb het gedaan en Ík zal u opnemen, Ík zal dragen en redden.

Jesaja 46:3-4

Ego eimi.

Hij spreekt nu in de toekomstige tijd:

In de Septuaginta staat hier: zelfs als jullie oud zijn, zal Ik jullie dragen; zelfs als jullie haren grijs zijn, ego eimi, ‘Ik ben het’, en niet: ‘Ik zal het zijn.’ De aangehaalde HSV geeft dat laatste weer als ‘zal Ik Dezelfde zijn’. In Jesaja staat dus dit ego eimi, dit ‘Ik ben het’, dat niet verandert wanneer de zinsbouw een andere tijd vereist. In Jesaja 43:13 heb je een verleden tijd:

Ook voor de dag er was, ben Ik, en er is niemand die uit Mijn hand kan redden. Ik zal werken, en wie zal het keren?

Jesaja 43:13

Daar worden de verleden en de tegenwoordige tijd gecombineerd. Vervolgens heb je in Jesaja 46:4 een toekomstige tijd:

Tot uw ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot uw grijsheid toe zal Ík u dragen; Ík heb het gedaan en Ík zal u opnemen, Ík zal dragen en redden.

Jesaja 46:4

Daar worden de toekomstige en de tegenwoordige tijd gecombineerd. Het ego eimi lijkt onveranderlijk in de tegenwoordige tijd te staan. Daarom is het een titel die Jahweh voor Zichzelf gebruikt: ego eimi, ‘Ik ben het’.

Jezus zei daarna:

Jezus zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik.

Johannes 8:58

Als Hij had gezegd: ‘Voordat Abram er was, was Ik er’, of, zoals de Bijbel van Jehovah’s Getuigen het vertaalt:

‘Voordat Abram er was, was Ik er al’, dan zou er voor hen geen reden zijn geweest om stenen op te pakken. Waarschijnlijk zouden ze gewoon de mannen in de witte jassen zijn gaan halen. Was jij er al vóór Abraham? Je bent gek. Hij zegt niet slechts: ‘Ik was er al vóór Abraham.’ Hij zegt:

Voordat Abraham er was, ego eimi. Ik ben. Ik ben het.

Ze beseften dat Hij de goddelijke titel aannam die God in Jesaja gebruikte en Zichzelf Jahweh noemde. Daarom pakten ze stenen op om Hem te stenigen. Toch liep Hij langs hen heen en ontkwam Hij opnieuw.

Herkomst

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als John 8:12 - 8:59. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.